Algerijns bloedbad

OPNIEUW ZIJN TIENTALLEN Algerijnen in een orgie van geweld omgebracht. Sinds de slachtpartijen in 1992 begonnen, wordt het aantal doden geschat op zestigduizend. De massamoord herinnert aan de donkerste tijden uit de menselijke geschiedenis. Leek er aanvankelijk nog een politiek-religieuze verklaring aan de uitspattingen te kunnen worden gegeven, inmiddels is de anarchie zover voortgeschreden dat de wildste speculaties geloofwaardig zijn geworden.

Er is één constante: de afzijdigheid van de autoriteiten en van de veiligheidstroepen.

De oorsprong van het geweld is bekend. Teneinde het fundamentalisme tegen te houden weigerde de legerleiding vijf jaar geleden de verkiezingsuitslag die de moslims aan de macht zou hebben gebracht, te honoreren. Zoals van fanatici kon worden verwacht, gold vervolgens de wet dat het doel de middelen heiligt. De barbaarsheid van de middelen heeft het doel inmiddels aan het zicht onttrokken. De terreur treft het gewone volk, de generaals verschansen zich achter hun divisies. Zij wekken de indruk dat wat er buiten hun kazernes en een paar beveiligde stadswijken gebeurt hun niet aangaat. Alsof het kwaad zichzelf moet uitroeien.

DE INTERNATIONALE gemeenschap bewaart afstand. Algerije is van oudsher een Franse aangelegenheid - vóór de dekolonisatie had het zelfs de status van departement. De Franse reactie op het Algerijnse geweld wordt bepaald door twee angsten: de angst voor een nieuwe golf van terreur in Frankrijk zelf zoals in 1995 en de angst voor een invasie van de Frans opgevoede Algerijnse intelligentsia mochten de fundamentalisten alsnog aan de macht geraken. De tweespalt in de Franse ziel heeft geleid tot een vorm van ondergrondse steun aan het regime in Algiers. De generaals zijn weliswaar de dam die de gevreesde vluchtelingenstromen moet tegenhouden, maar dat mag niet meer hardop worden vastgesteld op straffe van fundamentalistische represailles in de straten van Parijs. Er verblijven tenslotte al ruim zeshonderdduizend Algerijnen in de banlieues van de Franse steden.

De Europese Unie volgt Frankrijk in zijn benadering van het Algerijnse vraagstuk. Na het smoren van een zeer jeugdige democratie in 1992 te hebben aanvaard als het minste kwaad, heeft de Unie een onder omstandigheden democratische formaliteit als het eind vorig jaar gehouden referendum beloond met een gift aan het regime ter waarde van 280 miljoen gulden. Als er al in de gremia van de Unie over Algerije wordt beraadslaagd, komt daarvan nagenoeg niets naar buiten. Het overleg in maart jl. van een Algerijnse bewindsman met de voorzitter van het Europese parlement over een voorgenomen partnerschap was dit jaar wel zo ongeveer het hoogtepunt in de wederzijdse betrekkingen.

ER ZIJN GENOEG, ook gewelddadige, internationale vraagstukken waarmee de Unie zich bezighoudt. Daarover wordt van tijd tot tijd keurig gerapporteerd. Op Algerije lijkt intussen een taboe te rusten. Dat is misschien verklaarbaar. Maar het stilzwijgend laten passeren van zoveel zinloos geweld is langzamerhand onaanvaardbaar geworden. Algerije hoort terug op de internationale agenda.