Sir John Hackett's monument

De legende wil dat de commandant van de vierde parachutistenbrigade van de Britse Airborne-divisie brigadier J.W. Hackett, na zijn landing op de Ginkelse Heide niet onmiddellijk aan het werk ging, maar eerst een ommetje maakte om zijn wandelstok op te sporen, die hem bij zijn afsprong ontglipt was.

Terwijl zijn troepen al hun stellingen hadden betrokken, zocht de brigadecommandant eerst de omgeving af, op zoek naar het attribuut van zijn comfort, dat eerder dan hijzelf de grond had bereikt. In plaats van zich bij zijn troepen te voegen, struinde Hackett lakoniek de hei af, zonder zich te bekommeren om de vijandelijke mortieren, die hem uit de tegenover gelegen stellingen opwachtten. Terwijl hij rondspeurde stuitte hij op een groep Duitse soldaten die zich onder struiken verstopt had en kenbaar maakte zich te willen overgeven. Hackett had nu wel wat anders aan zijn hoofd. 'Blijf hier wachten', commandeerde hij in het Duits, een van de talen die hij vloeiend sprak. 'Ik kom jullie straks ophalen'. De Duitsers salueerden verschrikt, maar begrepen direct dat de Engelse brigade-generaal op zoek was naar iets van groot gewicht. In de grootste verbazing keken ze Hackett na, die doorging met zoeken en zijn wandelstok tot zijn onuitsprekelijke genoegen inderdaad vond. Toen pas keerde hij terug om de Duitsers naar het Engelse kamp af te marcheren.

De verhaal van het stokje van Hackett berust op militaire overlevering en is misschien van twijfelachtige waarheid, maar het blijft een wonderschone legende, die de deze maand overleden generaal (86) ook zelf zo bekoorde dat hij haar nooit heeft tegengesproken.

John Hackett - later generaal en vervolgens Sir John Hackett - was een Engelsman uit het boekje, van het excentriek-besnorde soort dat David Low in de Evening Standard tekende. Maar Hackett was zijn tijd in zoverre vooruit dat hij niet leed aan de sociale vooroordelen van zijn milieu. Hij leefde tussen zijn parachutisten en waakte als een akela over zijn boy-scouts.

Hackett had al naam gemaakt bij de bevrijding van Sicilië toen hij als een van de jongste brigade-generaals van zijn generatie met zijn brigade bij Arnhem landde. Hij was pas 33, nauwelijks ouder dan zijn troepen, en met wat meer geluk zou hij het waarschijnlijk nog wel tot viersterren generaal hebben gebracht. Maar in Arnhem stond zijn gesternte niet gunstig. Hij raakte gewond voordat hij zijn stempel op de strijd had kunnen zetten, kwam als gevangene terecht in het (zojuist afgebroken) Elizabeth Gasthuis, maar ontkwam in een van de meest spectaculaire ontsnappingen uit de Tweede Wereldoorlog en dook onder in de illegaliteit in Ede. Dertig jaar later publiceerde hij daarover een boek dat een indrukwekkend beeld geeft van de inzet en de moed van de Nederlandse illegaliteit in het algemeen en van de burgerbevolking op de Veluwe in het bijzonder.

Hackett leidde in zijn schuilplaats een tweevoudig bestaan. Hij was ondergedoken, maar hij was geen passieve onderduiker. Hij stelde zijn kennis van de militaire bevrijdingsoperatie (die in Nederland weliswaar op een mislukking was uitgelopen, maar elders in Europa met succes volgens plan verliep) ter beschikking van de lokale illegaliteit en hij schreef een militair overzicht in de plaatselijke verzetskrant Pro Patria. In Lydia Winkels catalogus De ondergrondse pers 1940-1945, een uitgave van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, is Hackett op grond van zijn rubriek in dat blad daarom ook onder de medewerkers van de Nederlandse illegale pers opgenomen. Het blad was een uitgave van de Renkumse illegaal J.M. Snoek, die Hackett's ontsnapping uit het Elizabeth Gasthuis had georganiseerd en die daarna met hem onderdook bij een schoonzuster in Ede. Het blad beleefde niet meer dan vijf (maandelijkse) uitgaven en bestond net zolang als Hackett in Ede ondergedoken zat. De publicatie werd in de winter van 1944 gestaakt toen Hackett met tweehonderdvijftig landgenoten, die na de Slag om Arnhem op Nederlandse onderduikadressen bijeen waren gebracht, via de Biesbosch een geslaagde uitbraak naar de geallieerde linies maakten.

Over de Slag om Arnhem en de ontsnapping van de Airbornes door het rivierengebied bestaan vele uitstekende geschiedenissen, maar in geen enkel boek wordt de geestkracht van het verzet van de burgerbevolking in het meest benarde jaar van de bezetting zo zuiver blootgelegd als in Hackett's oorlogsherinneringen 'I was a stranger' (Londen, 1977 en 1987; ook in Nederlandse vertaling). De familie De Nooy, die zich over de Britse brigade-generaal had ontfermd, was een protestantse Familie Doorsnee uit het vooroorlogse Nederland, die onder groot gevaar en in het aangezicht van een brute vijand een formidabele morele kracht toonde. Het dorp Ede was vergeven van de Sicherheitsdienst, die meedogenloze huis-aan-huis controles hield, maar de uit gereformeerd hardhout gesneden gezusters De Nooy gingen daarvoor nooit opzij.

Voor de upper class Hackett (zoon van een raadsheer in het gerechtshof te Sydney) was de bijbelvaste huiskamer in de Edese Torenstraat 5 een milieu van een andere planeet. Met verbaasde ogen keek hij naar het zware interieur in de huiskamer dat aan zware gereformeerde kerken deed denken, naar de zware bijbel waaruit voor het eten werd voorgelezen en naar het zware portret van koningin Wilhelmina aan de muur, waaraan de dames mede hun standvastigheid ontleenden. Gaandeweg verdween zijn verbazing en hij raakte vertrouwd met het idioom van zijn gelovige gastvrouwen. Hackett schreef zijn geschiedenis van het dagelijks leven in de voorkamer in de Torenstraat bij wijze van ode. Het was een passend eerbewijs aan de onwrikbare burgerzin, de politieke beginselvastheid en de geloofszekerheid van anonieme, maar fundamenteel fatsoenlijke mensen.