Radar

“Niet dat Signaal bij nul moest beginnen”, aldus begon een historische passage in het artikel 'Van Amerongen verlaat gezond HSA' (NRC Handelsblad, 9 september). Wat volgde leidt tot misverstanden. Eind 1927 betrokken ir. Van Soest en een instrumentmaker het toen genoemde Meetgebouw op de Waalsdorper Vlakte in Den Haag.

Het daar uitgevoerde onderzoekswerk tot 1940 geschiedde op last van de Commissie voor Physische Strijdmiddelen van het ministerie van Oorlog ten behoeve van alle krijgsmachtdelen. Het Meetgebouw vormde het begin van het huidige Fysisch en Elektronisch Laboratorium (TNO-FEL).

De verdienste van de ontwikkeling van de eerste radar volgens de hedendaagse principes komt toe aan jhr.ir. Von Weiler, die in 1934 in dienst trad van de Commissie. Na aanvankelijk gewerkt te hebben aan een probleem van de toen gebruikelijke akoestische luistertoestellen, ontwikkelde hij daarna een mobiele radio zender-ontvanger voor veldgebruik op een golflengte van 1,5 meter. Tijdens de proefnemingen ontdekte hij de reflecterende eigenschappen van een vliegtuig en ontwikkelde vervolgens het 'elektrische' luistertoestel met een golflengte van 0,75 meter. Daarin had ook de eind '35 in dienst genomen ir. Gratama een aandeel.

Gezien de oorlogsdreiging werd in september 1939 besloten om tien van deze toestellen te fabriceren. In dezelfde maand werd de kortelings afgestudeerde ir. M. Staal, in opleiding voor officier Speciale Diensten, gedetacheerd bij het Meetgebouw voor de coördinatie van de betrokken leveranciers met de Landmacht. In mei 1940 vertrokken Von Weiler en Staal (die in de plaats trad van Gratama) via Scheveningen naar Engeland. Twee complete toestellen uit de assemblage bij het Meetgebouw bereikten dat land via IJmuiden.