Preventie is beter dan de inrichting

Zelden heb ik zo'n slecht geïnformeerde en aan alle kanten rammelende reactie op mijn rapporten over de preventie van de jeugdcriminaliteit onder ogen gehad als het artikel van Pakes en Donker dat in NRC Handelsblad van 18 september werd gepubliceerd. Ik beperk mij tot twee punten: hoe goed kunnen we crimineel gedrag voorspellen en zo ja, moet preventie alleen op vrijwillige basis?

Het is merkwaardig dat men in de volksgezondheid en de verkeersveiligheid allang overtuigd is van het belang van preventie, maar waar het criminaliteit betreft denkt men nog steeds dat ingrijpen bij ernstig delictgedrag als jongeren eenmaal 16, 17 jaar zijn, positieve effecten zal hebben. Mijn pleidooi voor preventief optreden is gebaseerd op een pragmatische indeling in twee groepen jeugddelinquenten: de gelegenheidsdaders die er na hun 18de vanzelf weer mee ophouden en de kleine groep persistente daders die voor zo'n 50 tot 60 procent van alle gepleegde delicten verantwoordelijk is. Om deze groep was het mij begonnen.

Bij het voorspellen van latere delinquentie gaat het altijd om een waarschijnlijkheidsmodel, gebaseerd op risicofactoren in het kind (agressie, impulsiviteit, sterke prikkelbaarheid), in het gezin (armoede, gebrekkig toezicht, harde en inconsistente discipline, alcoholisme, gezinsgeweld) en in de omgeving (verloederde buurt, vandalisme en criminaliteit, alcohol- en drugsmisbruik). Een of twee risicofactoren hoeven geen ongunstige uitkomsten voor het kind te hebben. Maar bij iedere risicofactor loopt het risico op latere ernstige criminaliteit exponentieel op. Het is de cumulatie van risicofactoren die cruciaal is voor een accurate predictie. Daarbij is tevens gebleken dat ook al ontwikkelen deze kinderen later geen criminele levensstijl - de zogeheten valse positieven - zij in alle opzichten een miserabel leven leiden. Zij worden geplaagd door armoede, werkloosheid, isolement, veelvuldige ziekenhuisopnames, geestesstoornissen en een lage levensverwachting. Individuele kinderen en hun gezinnen moet men echter niet selecteren op basis van een statistisch risico. Statistische gegevens zijn onvoldoende, men moet over additionele klinische informatie beschikken, afkomstig van bijvoorbeeld de GGD-arts.

Nu bestaan er programma's die op effectiviteit getoetst zijn en die kinderen en hun ouders helpen zich beter voor te bereiden op het goed functioneren in de samenleving. Zo blijken bepaalde oudertrainingen invloed te hebben op het probleem- en anti-sociaal gedrag van hun kinderen. Programma's die op het aanleren van cognitieve vaardigheden en sociale competentie van kinderen gericht zijn verbeteren zowel de leerprestaties als het sociale gedrag. In het algemeen blijkt dat de effectiviteit ervan toeneemt naarmate de leeftijd van de doelgroep daalt. Daarnaast is het zo dat programma's die zich op meer dan één risicofactor richten cumulatieve effecten hebben. Maar het belangrijkste resultaat is wellicht dat niet alleen een sterke reductie van crimineel gedrag plaatsvindt, maar dat het opleidingsniveau stijgt, de arbeidsparticipatie toeneemt, het inkomen stijgt en gezondheid en welzijn toenemen.

Een preventiebeleid kan op verschillende manieren worden uitgevoerd. Het kan raadzaam zijn zich te richten op specifieke achterstandswijken, die worden gekenmerkt door verloedering en criminaliteit, te hoge werkloosheid en te laag onderwijsniveau. Mijn voorstel is - ook het SCP doet dergelijke aanbevelingen - om ontwikkelingsstimulerende programma's op alle scholen in deze wijken uit te voeren vanaf het 4de jaar. Doel daarvan is de schoolprestaties te verbeteren en een betere doorstroming naar het voortgezet onderwijs te bewerkstelligen. Deze programma's kunnen samengaan met sociale vaardigheidsprogramma's op de basisschool en in het voortgezet onderwijs.

Wanneer leerkrachten of de schoolarts gezinnen in het vizier krijgen waar zich ernstige problemen voordoen, zouden deze - ook al is vrijwilligheid troef - overreed kunnen worden hulp te aanvaarden. De bewering dat hulp, zonder dat de cliënt tevoren gemotiveerd is, geen resultaat zou kunnen hebben is uit de lucht gegrepen.

Een derde mogelijkheid is gedwongen hulpverlening. Die zou alleen en uitsluitend worden opgelegd als het gezin reeds met politie en/of kinderbescherming te maken heeft. Daarmee zeg ik niets nieuws, want ook nu is het zo dat officieel overheidsingrijpen gepaard kan gaan met gezagsmaatregelen die door de kinderrechter of de gezinsvoogd worden genomen.

Een effectief preventiebeleid is een langetermijn-investering. Er moet ons echter alles aan gelegen zijn te voorkomen dat er wijken ontstaan waarin criminaliteit, drankmisbruik en verloedering een endemisch verschijnsel worden en hele groepen van de bevolking worden afgeschreven.