Philips komt

HET ELEKTRONICA-CONCERN heeft zijn verhuisplannen vooralsnog bij wijze van ballon opgelaten. Maar de psychologische consequenties van het voornemen mogen, zelfs als het niet doorgaat, niet worden onderschat. Tot voor kort stond Philips bekend als een door-en-door Brabants bedrijf, groot geworden op de arme zandgronden rond Eindhoven en daar dankzij de solidariteit van de generaliteitslanden ook groot gehouden.

Sinds de laatste Philips-telg de onderneming verliet, durfde geen enkele manager dit constituerende element ook maar ter discussie te stellen. Overal in Nederland, Europa en de wereld werden fabrieken geopend en gesloten. Zelfs toen het misging, en orkaan-Gilbert in de persoon van Jan Timmer door het formidabele concern moest razen om weer bedrijfseconomische orde op zaken te stellen, was Eindhoven zelf geen punt van discussie. De sanering betrof vooral de werkvloer en die was inmiddels ver weg.

Maar met de komst van 'retailer' Cor Boonstra is aan tal van axiomata een einde gekomen. De orkaan is niet gaan liggen, maar is slechts van windrichting veranderd. Het zijn nu de managers zelf die de scheerlijnen van hun tenten moeten aansnoeren. Het idee om het hoofdkantoor naar Amsterdam te verhuizen is een indicatie dat het nog steeds stormt.

VOOR AMSTERDAM is dat een goed bericht. Als zelfs het in hart-en-nieren provinciale Philips naar de hoofdstad wil verhuizen, dan hoeft de VVV zich komende tijd niet meer druk te maken over het imago van de stad. Wat eens niet meer was dan een potverterend 'magies sentrum', waarvan een ondernemer zich verre hield, is nu kennelijk een dynamisch financieel-economisch centrum geworden waar een ondernemer juist moet zijn. Leiding geven aan een multinationaal bedrijf stelt tegenwoordig immers andere eisen dan honderd jaar geleden. Innovatie en productie zijn verdrongen door marketing en auditing. De centrale Philips-staf van circa vierhonderd managers moet nu dus de wijde wereld in - 's middags een zakenlunch aan de Seine en 's avonds aan de Amstel naar de opera - en dat kan volgens de top van het technologische bedrijf kennelijk beter via de gemotoriseerde dan de elektronische snelweg.

Maar voor Eindhoven zijn dit minder goede berichten. Niet zozeer om redenen van werkgelegenheid. Het merendeel der productiebedrijven, voor zover die zich nog in en rond de stad bevinden, blijft immers in het Zuiden. Maar wel omdat Boonstra met zijn plan de mythe van de Philips-familie de nekslag zou kunnen toebrengen. Als er één bedrijf was in Nederland waarmee de werknemers een welhaast psychologische band moesten hebben, dan was het Philips. Door zijn centrale staf naar Amsterdam te verhuizen, geeft Boonstra te kennen dat Ajax en Muziektheater voor hem relevanter zijn dan PSV en POC (Philips Ontspannings Centrum).

WAT DIT OP LANGERE termijn betekent, is ongewis. Bijvoorbeeld voor het vermaarde Natuurkundig Laboratorium, dat deze eeuw een ongekend stempel op de elektronica heeft gedrukt. Conform de plannen blijft alles in Eindhoven min of meer intact. Maar onderzoek en ontwikkeling is meer dan budgetten toewijzen, het is ook een creatief proces waarbij wederzijdse inspiratie minstens zo belangrijk is.

De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat de voorgenomen verhuizing van slechts vierhonderd Philips-functionarissen een signaal is. In het programma van Boonstra is geen plaats meer voor nostalgie en tranen. In de volgende eeuw zal het concern nauwelijks nog lijken op het bedrijfje dat Anton Philips ooit in 1891 was begonnen.