Nederland drukt zich bij vredesoperaties

Om de reactiesnelheid van de VN bij internationale operaties te vergroten is er een bundeling tot stand gekomen van eenheden die kleinere landen ter beschikking hebben gesteld. C. Homan en D.A. Leurdijk vragen zich af waarom Nederland daarbij afzijdig blijft. Van Van Mierlo's plannen voor een snel inzetbare brigade horen we al jaren niets meer.

De oorlogsgruwelen, de genocide en de vluchtelingenstromen in Rwanda in 1994 hebben meer dan enige andere crisis de behoefte duidelijk gemaakt aan een snel inzetbare VN-vredesmacht. De toenmalige ondersecretaris-generaal voor 'Peacekeeping' van de Verenigde Naties, de huidige secretaris-generaal Kofi Annan, verklaarde in die tijd dat een vroegtijdige ontplooiing van een gemechaniseerde brigade in Kigali ervoor zou hebben gezorgd dat de situatie binnen een of twee weken gestabiliseerd zou zijn. Daarmee had de dood van een half miljoen mensen, voornamelijk Tutsi's, waarschijnlijk voorkomen kunnen worden.

Mede naar aanleiding van het falen van de wereldgemeenschap in dit conflict, opperde minister van buitenlandse zaken Van Mierlo in de Algemene Vergadering van de VN van november 1994 het idee om tot oprichting van een 'UN Rapid Deployment Brigade' over te gaan. Het zou dan moeten gaan om een “full-time professional, at all times available and rapidly deployable UN Brigade to enable the UN to save lives in situations such as Rwanda”.

De reactie van de internationale gemeenschap op het voorstel was over het algemeen vrij lauw. Voor velen was het onder permanent internationaal gezag plaatsen van een militaire strijdmacht nog een 'brug te ver'. Om in ieder geval voor een deel in de behoefte aan inzetbare VN-eenheden te voorzien kent de VN nu sinds enige jaren het United Nations Stand-By Arrangements System (UNSAS). Dit UNSAS vervult de rol van een 'catalogus' van mogelijke militaire inspanningen die VN-lidstaten bereid zijn zich op het gebied van peacekeeping te getroosten.

Op dit ogenblik kent het UNSAS 65 deelnemende landen, waarvan er 47 hebben aangegeven welke bijdragen zij kunnen leveren. In theorie heeft de Verenigde Naties zo de beschikking over 87.000 manschappen, vanwie 58 procent binnen een periode van 60 dagen beschikbaar kunnen worden gesteld. Nederland zegde in juni 1994 als een van de eerste VN-lidstaten militaire eenheden voor dit UNSAS toe.

Op papier oogt de op deze manier verzamelde militaire capaciteit zeer indrukwekkend. Maar naast de gebruikelijke vertraging en onzekerheid als gevolg van nationale besluitvormingsprocedures, kent het UNSAS in zijn huidige vorm nog een aantal andere tekortkomingen. Zo zijn de nationale aanbiedingen niet op elkaar afgestemd, is er een tekort aan logistieke en ondersteunende elementen, en is een aantal UNSAS-eenheden slecht uitgerust. De reactietijd van de aangeboden UNSAS-eenheden varieert van zeven dagen tot drie maanden, als gevolg van het feit dat de lidstaten verschillende politieke besluitvormingsprocedures kennen en omdat veel landen de financiële middelen ontberen om eenheden op 'stand-by notice' gereed te houden.

Om deze bezwaren voor een deel weg te nemen heeft Denemarken het initiatief genomen een UN Stand-By Forces High Readiness Brigade (SHIRBRIG) op te richten. De Denen beogen hiermee de reactiesnelheid van de VN te vergroten door bundeling van eenheden die landen hebben aangeboden aan het UNSAS. Het gaat om de vorming van een multinationale, niet-staande brigade met een reactietijd van vijftien tot dertig dagen, waarvan de inzet beperkt zal zijn tot peacekeeping onder hoofdstuk VI van het Handvest, inclusief humanitaire operaties, voor de duur van ten hoogste zes maanden. Kortom, 'blauwe' vredesoperaties met als kenmerken: instemming van partijen, neutraliteit, en het niet gebruiken van geweld; en geen 'groene' operaties onder Hoofdstuk VII van het Handvest, zoals momenteel SFOR in Bosnië. Uitgangspunt is dat een aantal landen een deel van hun UNSAS-aanbiedingen samenvoegt om aldus een coherente, snel inzetbare stand-by-eenheid ter grootte van een brigade te vormen, terwijl de inzet afhankelijk blijft van nationale politieke besluitvorming.

De brigadekernstaf is belast met de afstemming van de beschikbare UNSAS-eenheden door middel van oefeningen en met het maken van plannen voor eventuele inzet. Een van de uitgangspunten bij de oprichting van de SHIRBRIG was de ontwikkeling van een 'brigade-pool'. Landen kunnen daarmee functioneel gelijkende eenheden aanbieden, zodat, wanneer één of meer landen niet deelnemen aan een operatie, de SHIRBRIG toch kan worden ontplooid. De brigade behoort volledig inzetbaar te zijn vanaf januari 1999. Secretaris-generaal van de VN, Kofi Annan, verrichtte eerder deze maand, 2 september, de ceremoniële inwijding van de kernbrigadestaf, bestaande uit officieren uit Denemarken, Canada, Oostenrijk en Zweden.

Waarom is Nederland daar niet bij betrokken? Hoewel Nederland wel de 'letter of intent' inzake de oprichting van deze SHIRBRIG ondertekende, zag minister Voorhoeve, na kritiek vanuit de Tweede Kamer op die stap, af van de volgende stap, de ondertekening van een 'Memorandum of Understanding'. Ook de aanvankelijke toezegging om personeel voor de staf beschikbaar te stellen werd ingetrokken. En van de oproep van minister Van Mierlo om te komen tot de oprichting van een snel inzetbare VN-brigade horen we ook al jaren niets meer.

Geen argument is dat de grote landen geen behoefte hebben hun UNSAS-bijdragen te bundelen in organisatorische verbanden als de SHIRBRIG. De Franse en Britse bijdragen aan het UNSAS kunnen, anders dan de Nederlandse, volledig onafhankelijk - zonder ondersteuning van andere landen - worden ingezet. Dat wil echter niet zeggen dat zij het SHIRBRIG-concept niet mede ondersteunen. De Verenigde Staten onderschrijven het als een verbetering van de inzetbaarheid en de interoperabiliteit voor vredesoperaties onder hoofdstuk VI van het VN-Handvest.

Het belang van het SHIRBRIG-project ligt hierin dat er nog steeds behoefte bestaat aan 'blauwe' vredesoperaties. Vooral een preventieve ontplooiing van een troepenmacht bij een beginnende crisis en een snelle inzet in geval van humanitaire noodsituaties, kunnen met relatief beperkte middelen veel latere ellende voorkomen. Uitgaande van de ervaringen tot nu toe bij VN-operaties, duurt het in het algemeen twee maanden voor de eerste eenheden zich ontplooien en is pas na zes maanden de troepenmacht volledig ontplooid.

Door haar snelle inzetbaarheid is de SHIRBRIG in staat deze lacune in de belangrijke eerste fase van een VN-operatie te vullen. Van minstens even groot belang is dat de kleinere landen dankzij SHIRBRIG een effectievere, efficiëntere en veiligere inzet van hun UNSAS-bijdragen bevorderen.

Is de positie van Nederland als 'vriend van snelle inzetbaarheid' niet in het geding als we zelfs niet meer bereid zijn om het nu wachtende volgende mini-stapje in de richting van een versterking van het UNSAS te zetten? Wat is er toch mis met ons ambitieniveau?