Litouwers

Naar aanleiding van een interview van Reinjan Mulder met de Pools-Litouwse schrijver en Nobelprijswinnaar Czeslaw Milosz in het Cultureel Supplement, schreef J.L. Heldring over de ingewikkelde verhouding tussen de Polen en de Litouwers (NRC Handelsblad, 9 september).

Hoogtepunt van hun eeuwenlange vriendschap was het sluiten van een Constitutionele Unie in 1569. De deling van Polen door Rusland, Pruisen en Oostenrijk in 1795 maakte daar een einde aan en Litouwen kwam onder de Russische heerschappij. Grote hindernis in de relatie na de Eerste Wereldoorlog was het inlijven van Wilno/Vilnius door Polen in 1920, schrijft Heldring.

Wat hij niet vermeldt, is de houding van Litouwen tijdens de Tweede Wereldoorlog. De Litouwers kozen toen de kant van nazi-Duitsland dat - zoals bekend - de grote vijand van de Polen was. De Litouwers verwelkomden de nazi's hartelijk, in de veronderstelling dat zij toestemming zouden krijgen een eigen staat op te richten. In het artikel van Heldring krijgt men een gevoel van medeleven en medelijden met de Litouwers door de ellende die hun later ten deel viel in de voormalige Sovjet-Unie.

Ik betwijfel of hij op de hoogte was van hun gedrag tijdens de Duitse bezetting, en vooral tegenover de derde bevolkingsgroep, de 250.000 joden die daar vanaf de 14de eeuw een rijk geestelijk en cultureel leven hadden opgebouwd. Als hij dat zou hebben geweten, zou hij zeker anders over hen geschreven hebben. Nog voordat de Duitsers het bevel gaven tot de genocide, begonnen de Litouwers met het vermoorden van joden, met instemming van geestelijke en politieke figuren, zoals bisschop V. Brizgys, het waarnemend hoofd van de katholieke kerk en J. Vilesis, de burgemeester van Kovno/Kaunus. Zeventien bataljons van het Litouwse leger en zeven bataljons daarbuiten, soldaten en officieren, deden er aan mee.

Pas na Stalingrad (1943) begonnen vele, vooral jonge Litouwers te beseffen dat de Duitsers hen hadden bedrogen en gingen ze in verzet. Voor de Litouwse joden was dat helaas te laat. Czeslaw Milosz was een van de weinigen die veel pijn voelde door het gedrag van de Litouwers. Hij schreef veel over de moord op de joden, onder meer in het door Mulder genoemde gedicht 'Campo di Fiori'.