Liszt zelf zou kiezen voor ontembare woestheid

Concert: Bert Mooiman (piano), Norman van Dartel (slagwerk) en Doelenkwartet. Gehoord 22/9 De Unie Rotterdam.

Franz Liszt placht nieuwe leerlingen twee dozen sigaren voor te zetten. Dat was een examen: koos men de verkeerde dan was men de sigaar en verwees Liszt de ongelukkige door naar zijn assistent. Voor Peter-Jan Wagemans, de programmeur van een driedelige mini-cyclus in De Unie als avantgardistische aanvulling op het Gergjev Festival 'Liszt in Rotterdam', is het de vraag voor wie Liszt zich nu zou inzetten als hij nog leefde.

Zoals Chopin Liszt beschreef - als een groteske figuur op hoge stelten, rouge op de bolle wangen, blazend op Jericho's bazuin - lijkt Brian Ferneyhough de keuze van Liszt. Zondagavond klonk zijn Carceri d'Invenzione IIb: geen tweede componist die zo ontembaar woest door notenland galoppeert, zo virtuoos met noten strooit. Als maar een beperkt percentage is gelukt is hij al tevreden. Liever een roekeloze uitvoering met veel mislukte noten, dan een puntgave te tamme lezing!

Wagemans ging uit van twee uitersten. Een groep componisten die de verscheurde klankwereld representeert, op de eerste avond culminerend in Matthijs Vermeulens Strijktrio. En een andere, verinnelijkte groep op het volgende concert, uitmondend in Messiaens Visions de l'amen. Maandagavond kreeg Rihms Vierde strijkkwartet het laatste woord in een samenvatting van beide facetten.

Voordien overheerste verstilling, zeker in Morton Feldmans Durations III (1960) voor de bizarre combinatie van viool, piano en tuba. Een minimum aan attaque is vereist, de eerste klank steeds simultaan, de lengte vrij. In een kleine ruimte moet de tuba de competitie in zachte aanzetten verliezen. Hendrik-Jan Renes nam aanvankelijk grote risico's met de nodige mislukkingen als resultaat, maar besloot zich meer decibels te pemitteren en van toen af was het mogelijk zich geheel aan Feldmans geheimzinnige klanken over te geven.

Feldman betekende mentaal een goede voorbereiding op de première: Peter Adriaansz' Music of Mercy II voor klavecimbel of piano, met in het laatste deel slagwerk en strijkkwartet als een echo vanachter een scherm gespeeld. Adriaansz' muziek valt te plaatsen tussen Satie en de vroege Cage. Gaandeweg kreeg ik net als het verhaal over de twee dozen sigaren het gevoel dat Adriaansz niet echt durfde te kiezen: ofwel voor een volledige introvertie dan wel een Jugendstil-achtige speelsheid.

Het eerste deel zou een op hol geslagen Jean Francaix kunnen zijn, maar het laatste deel is één lange nostalgieke mijmering van zes, zeven aarzelend de kop opstekende toontjes, verwelkomd door tinkelingen in buisklokken dan wel klokkenspel, tenslotte verklinkend in de zonnig vibrato en met demper gespeelde strijkers. De muziek is mij als solo soms te temerig, maar het uitklinken in het ensemble is fascinerend. Het heeft dan veel weg van een mompelend gevoerd gesprek in intieme kring, met veel pauzes en diepe zuchten. Had Liszt het mooi gevonden? Ongetwijfeld: de late Liszt het laatste deel en de vroege Liszt de galop van het op hol geslagen eerste.