Leerlingen zijn geen 'emmers die je volgooit met wat kennis'

Minister Ritzen ziet het onderwijs als laatste gemeenschappelijke ervaring die iedereen in Nederland deelt. Een “laatste bastion” om de sociale samenhang te redden. Zijn inzicht komt te laat, zeggen zijn critici.

AMSTERDAM, 23 SEPT. Geldt het onderwijs als cement van de samenleving? Ja, vinden diegenen die onderwijs beschouwen als enig overgebleven ervaring die iedereen deelt in Nederland, anno 1997. Maar wie vervolgens afgaat op het gevoerde onderwijsbeleid, raakt in lichte verwarring. Grote onpersoonlijke mammoetscholen; steeds meer uitvallers; en leraren die een lagere eigendunk hebben dan ooit. Hoezo: onderwijs een bindende factor?

Deze kwestie beheerste gisteravond een debat over onderwijs in de Amsterdamse Balie. Centraal stond de vraag of onderwijs de samenleving 'bij elkaar kan houden'. De beleidsmaker, in de persoon van minister Ritzen van Onderwijs, dichtte het onderwijs zo'n centrale rol graag toe: “Het onderwijs is het aangewezen bastion om tegendruk te geven aan ontwikkelingen die kunnen leiden tot versnippering, ongelijkheid en conflicten in de samenleving.”

Zo'n geloofsartikel was zijn opponenten te gemakkelijk. De bewindsman droomde zich eerder een werkelijkheid dan dat hij die bij de kop had, stelden socioloog prof. dr. Cees Schuyt en CDA-senator Hannie van Leeuwen. De school verbrokkelt als sociaal verband, net als het gezin en de buurt. En degene die daarvoor medeverantwoordelijkheid draagt, heet Ritzen. Of preciezer: zijn beleid de afgelopen zeven jaar. Een op de twee middelbare scholieren in Amsterdam haalt geen diploma. Ondanks 'beleidsimpulsen' is het beroepsonderwijs overal in het land nog steeds uit de gratie bij leerlingen en ouders. En het stapelen van opleidingen wordt steeds moeilijker - wie kan er met de huidige krappe studiebeurs nog doorstromen van middelbaar beroepsonderwijs naar hogeschool, of zelfs universiteit?

Ritzen verweerde zich door zijn tegenstanders gedeeltelijk gelijk te geven. “Het onderwijs is nog teveel van niemand”, erkende hij. En: “De identificatie van ouders met het werk van de leraar is afgenomen. (...) Daarmee komt de leraar in zijn rol als mede-opvoeder in de kou te staan.” De redding is echter nabij, spiegelde hij de omstreeks honderd toehoorders voor. Want hij bedacht “nieuwe beleidsimpulsen”. Elk kind krijgt zoveel mogelijk 'onderwijs-op-maat', onder meer met computerprogramma's. Ouders van allochtone kinderen moeten samen met hun kroost op taalcursus. Politie, school, peuterspeelzaal, GGD en naschoolse opvang zijn bezig in achterstandswijken de krachten te bundelen. En bedrijven kunnen aanspraak maken op een pot van 400 miljoen gulden om leerlingen uit het leerlingwezen in dienst te nemen.

Zo'n aanpak was de tegenstanders te oppervlakkig. Wil de minister toe naar een samenleving waarbij al tienduizenden bij voorbaat aan de kant van de elektronische snelweg staan, vroeg Van Leeuwen. “ Dat is een aanslag op de sociale cohesie. Net als uw zogenaamde sociaal-democratische maatregel om het stapelen van studies te ontmoedigen. Ik haal u als CDA-er links in.” Schuyt stelde dat Ritzens 'instrumentele opvatting van kennis' hem in de weg zit om het onderwijs te laten uitgroeien tot sleutelmacht van de samenleving: “Ritzen bekijkt het ouderwets. Hij ziet leerlingen als emmers die gevuld worden met kennis. Met een volle emmer kun je aan de slag.” Tel daarbij op dat van de minister schoolcarrière “sneller, sneller, sneller” moet, dan leidt dat tot het wegvallen van de culturele vorming, vindt Schuyt.

Ritzen bleef bij zijn “wat optimistische visie”. “Het onderwijs is net een wasmachine. Zolang het ding werkt - niets aan de hand. Maar als-ie kapot gaat, realiseren we ons dat het onderhoud vergt. Zo'n apparaat moet het gewoon doen.” En afsluitend, als een commentator tot de toehoorders: “Daarom ben ik blij dat we ons in een tijd van economische voorspoed bekommeren om het onderwijs.”