Duitse politici zijn de gevangenen van de weifelende burgerij

Wat is er met Duitsland aan de hand? Nog maar enkele jaren geleden bracht Michail Gorbatsjov zichzelf en zijn collega's in het Kremlin tot de overtuiging dat ze de Duitse eenwording moesten accepteren, omdat Duitsland op het Europese vasteland de politiek-economische hoofdrol zou gaan spelen.

Nog meer recent heeft de nuchtere Franse ex-president van de centrale bank, Michel Aubert, een boek gepubliceerd waarin hij de loftrompet steekt over het 'Rijnland-kapitalisme' en Duitsland verheft tot een modelsamenleving die economische dynamiek paart aan sociale rechtvaardigheid. En nu ligt dat model in duigen en zit de leidende mogendheid van Europa in het slop.

Een van de redenen hiervoor is slechts een tijdelijke politieke impasse. Kanselier Kohls krappe meerderheid in het parlement is niet voldoende om serieuze hervormingen in het ondoorzichtige belastingstelsel door te drukken tegen de meerderheid van de sociaaldemocraten in de Bundesrat in - de 'Eerste Kamer' van het Duitse parlement, waar de deelstaten meebeslissen over federale wetgeving. De hoog ontwikkelde federale structuur van het land wordt, samen met een gebrek aan politiek leiderschap, door velen gezien als de voornaamste oorzaak voor de heersende patstelling.

Maar het zijn nu juist de politieke structuren en affiniteiten die verandering tegengaan, omdat de kiezers noch de regering noch de oppositie een duidelijk mandaat hebben gegeven. Als alleen de politici schuld droegen, zouden ze eenvoudig bij de volgende verkiezingen gewipt kunnen worden. Maar de eigenlijke bron van Duitslands malaise ligt dieper: de burgers en de samenleving weifelen. En terwijl de politiek natuurlijk de publieke opinie zou moeten aanvoeren, moet ze die ook volgen om stemmen te winnen.

Waarschijnlijk langer dan menig politicus realiseert de kiezer zich dat het 'Duitse model' met zijn korte werkweek, lange vakanties, gegarandeerde, aanzienlijke pensioenen, sociale zekerheden en een uitgebreide ziekteverzekering voor iedereen, niet eeuwig stand kan houden. Men is in principe bereid de offers te brengen die nodig zijn om het huidige systeem te stroomlijnen en te moderniseren - mits die offers eerlijk worden verdeeld.

Het probleem is dat modernisering van de verzorgingsstaat offers vergt die wezenlijk óneerlijk zijn. Ze moeten worden gebracht - niet door de welgestelden maar door de armere sectoren van de samenleving, door hen die rechtstreeks in hun materiële welstand worden geschaad door bezuinigingen op de sociale voorzieninen. Hervormingen die de lasten gelijkelijk over de gehele samenleving zouden spreiden zijn daarom niet mogelijk.

Gelijkheid en sociale rechtvaardigheid, lange tijd de hoekstenen van Duitslands hechte sociale structuur, vormen nu een ernstig obstakel voor verandering. Theoretisch erkent men wel dat verandering noodzakelijk is, maar men schrikt terug voor concrete maatregelen en houdt vast aan wat men heeft, ook al verspeelt men daarmee toekomstige mogelijkheden. Behoud van banen in zware industrieën met behulp van overheidssubsidies lijkt te verkiezen boven het scheppen van nieuwe banen door subsidiëring van nieuwe, meer belovende bedrijven. Daar er geen garantie bestaat dat hervormingen een billijker toekomst zullen garanderen, worden ongelijke offers nú afgewezen.

De voorkeur om te houden wat men heeft boven te investeren in een onzekere toekomst is in de meeste democratieën een bekend verschijnsel. In Duitsland wordt het versterkt door de collectieve herinnering aan oorlog en rampspoed. Het 'economische wonder' van de jaren '50 in wat toen West-Duitsland was, ontleende zijn dynamiek niet in de laatste plaats aan de impuls om zelf iets te bezitten en te behouden. In 1990, bij de eenwording, kwam het onstuitbare verlangen van de Oost-Duitsers om bij de Bondsrepubliek te worden ingelijfd voort uit hun streven om te verwerven wat hun familieleden in het westen allang bezaten - niet alleen democratie maar ook materiële welstand. Zo gaat het trauma van het Duitse verleden hand in hand met een haast aangeboren afkeer van veranderingen.

Achteraf had de eenwording een unieke gelegenheid kunnen bieden om niet alleen de bankroete structuren van het communistische Oosten af te schaffen, maar tevens het in zijn voegen krakende systeem van het Westen onder handen te nemen. In plaats daarvan werden de westerse structuren klakkeloos naar het oosten uitgebreid en daarmee nog logger gemaakt.

Een gelukkige bijkomstigheid hiervan is dat zo de tekortkomingen van de Duitse verzorgingsstaat des te sterker tot uiting komen. De duizend miljard mark die sinds de eenwording zijn overgeheveld, hadden ook kunnen worden besteed aan de ondersteuning van de overbelaste Duitse verzorgingsstaat, zodat het ogenblik van de waarheid nog langer was uitgesteld.

De ontmaskering van het falende bestel vergroot wel de onrust onder het publiek, maar heeft nog niet tot een massaal verlangen naar ingrijpen geleid. Wanneer de Duitse kiezers volgend jaar september een nieuwe Bondsdag gaan kiezen, zullen ze waarschijnlijk geen duidelijk mandaat voor verandering afgeven. Welke coalitie ook met de winst gaat strijken - en voorlopig blijft die van kanselier Kohl licht favoriet - ze zal slechts een magere meerderheid krijgen, die voor elk belangrijk initiatief is aangewezen op de ongewisse steun van haar politieke tegenstanders. En zo lijkt Duitsland voorlopig gedoemd om in het slop te blijven steken.

Die passiviteit zal een aanzienlijke tol eisen. Terwijl de export drastisch groeit, blijft de werkloosheid onverminderd hoog. De ontgoocheling ten aanzien van de politiek is groeiende en zou zelfs het soort rechtse populisten kunnen gaan voortbrengen waarvan het democratische Duitsland tot dusver verschoond is gebleven. De binnenlandse impasse zal Duitslands internationale invloed doen tanen, juist nu Europa een verantwoordelijker positie in de wereld krijgt. Als Duitsland de 'zieke man van Europa' wordt, zullen ook de andere Europese landen worden besmet.

Uiteindelijk zullen hervormingen van het sociale stelsel wel worden afgedwongen, zo niet door de politieke leiding dan wel door de mondialisering van de economie. De sociale samenhang en consensus die het democratische Duitsland een halve eeuw lang hebben getypeerd, zullen dan onder zware druk zijn komen te staan. Wellicht dat dit verontrustende vooruitzicht de samenleving ertoe kan brengen haar politici te mobiliseren.

Er houdt zich nóg een impuls tot verandering in gereedheid: de Europese Monetaire Unie. Wanneer die in 1999 in werking treedt, zal dat onmiddellijk tot een verscherpte concurrentie op de markten binnen de Unie en tot economische hervormingen leiden. Het zou niet de eerste keer zijn dat de Europese integratie Duitsland uit het slop heeft geholpen. En de Europese muntunie geniet, in tegenstelling tot vrijwel alle andere hervormingsinitiatieven, nog steeds een overweldigende meerderheid in beide kamers van de Bondsdag, hoe onpopulair ze ook onder de kiezers mag zijn.