Clinton wint écht op alle fronten; Hoofredacteur ontslagen, de president blij

Na het voortijdige vertrek van de hoofdredacteur van het Amerikaanse weekblad The New Republic slaakten Clinton en zijn vrouw een zucht van verlichting. Eindelijk waren ze verlost van de journalist die hen in zijn blad genadeloos fileerde. Voor buitenstaanders is het volgens Menno de Galan moeilijk te begrijpen waarom Clinton zijn eigen burgers tot razernij brengt.

Het Witte Huis reageert doorgaans niet op het ontslag van een journalist. Wanneer dat wel gebeurt, is er dus wat bijzonders aan de hand. Met leedvermaak en opluchting werd vorige week in kringen van de president kennis genomen van het voortijdig vertrek van hoofdredacteur en columnist Michael Kelly bij het invloedrijke weekblad The New Republic (TNR). Kelly (40), Clinton-hater en in bezit van een dodelijke pen, schreef sinds zijn aantreden bij het weekblad bijna uitsluitend en met een zeker fanatisme over de weke ruggengraat en corrupte aard van de president. Hij had zich, gaf hij vorige week toe, in hem 'vastgebeten'. Een wekelijks terugkerende bron van vreugde voor de vele vijanden van Clinton, maar volgens de eigenaar van het blad, Martin Peretz - oud-studiegenoot en vriend van vice-president Al Gore - een progressief weekblad onwaardig. Kelly was, aldus Peretz, door de Clintons 'geobsedeerd'. Zijn wekelijkse commentaren mogen dan goed zijn geweest voor de oplagecijfers, Peretz had zich wat anders van zijn nieuwe hoofdredacteur voorgesteld.

Hij had beter kunnen weten. Kelly is niet alleen de beste Amerikaanse journalist van zijn generatie, met een mooi boek over de Golfoorlog en een vlotte carrière bij achtereenvolgens de New York Times en de The New Yorker. Daarnaast onderscheidde hij zich de afgelopen vijf jaar door als geen andere journalist de Clintons hinderlijk voor de voeten te lopen. Dat wil zeggen: hij schreef vernietigende stukken over president en first lady ('Hillary de Heilige') voor een krant en tijdschrift die, vanwege hun progressieve signatuur, juist in regeringskringen veel worden gelezen. Het aanbod om als hoofdredacteur/columnist bij TNR in dienst te treden, was voor hem een buitenkans. Het is, of was in elk geval tot zijn aantreden, het favoriete tijdschrift van Bill Clinton. Het vooruitzicht dat de president voortaan wekelijks van zijn mening kennis zou mogen nemen moet op z'n minst prikkelend zijn geweest. Kelly ging er eens goed voor zitten.

'Onze Held', luidde de kop boven het eerste stuk dat hij voor TNR schreef, op 2 december 1996. Het diende vooral niet letterlijk te worden opgevat. Eerste alinea: “De verkiezingen zijn voorbij, er is opnieuw sprake van wittebroodsweken, Kerstmis nadert. Geen kwaad woord over Bill Clinton. Hij is natuurlijk een aartsleugenaar. Hij leutert maar raak. (Recentelijk beweerde hij de eerste president te zijn, die bij zijn aantreden wat van landbouw wist). Hij is adembenemend cynisch. (...) Een opportunist van buitensporige proporties”.

Hier werd, zou je zeggen, het kookpunt van woede meteen al genaderd. Niet het minst interessante aspect van de erop volgende stukken was, dat Kelly erin slaagde dit hoge niveau van gescheld vast te houden. Week op week verkende en verlegde hij de grenzen van zijn verontwaardiging. Een boeiende maar uiteindelijk ongelijke strijd, tegen een tegenstander die juist van het ontwijken en pareren van aanvallen zijn specialisme heeft gemaakt. Het Witte Huis hoefde alleen maar te zwijgen, te veinzen dat de columns niet werden gelezen of, desnoods, dat ze geen enkele indruk maakten. Om na Kelly's ontslag een zucht van verlichting te slaken.

Wat is het toch aan Clinton, dat hij een bepaald slag Amerikanen - niet alleen de loony right, degenen die zich in milities hebben verenigd, maar ook doorsnee burgers - buiten zinnen maakt van woede? Voor Nederlanders is die misschien moeilijk voor te stellen. Wij kennen Clinton als een interessante, intelligente en innemende man, getrouwd bovendien met een even intelligente als betrokken vrouw. Wij zien hem alleen in gefilterde vorm, in zijn buitenlandse politiek, of als zijn voor-presidentiële liefdesleven weer even opspeelt. En aangezien de buitenlandse politiek die ertoe doet - ook volgens de president zelf - wordt gemaakt in de directiekamers van bedrijven als Microsoft en Nike, en de bimbo-factor voor ons vooral een folkloristisch karakter heeft, zal hetgeen hij op dit gebied doet of nalaat zijn imago of populariteit hier niet wezenlijk beïnvloeden. Met de inhoud en gevolgen van zijn binnenlands beleid worden wij intussen niet geconfronteerd. Neem zijn voortdurende gehamer op de kwalijke apecten van het roken, en zijn acties daartegen. Ze laten ons, terecht natuurlijk, volkomen onverschillig. Wij hebben er immers geen last van. In Amerika ligt dat anders. Daar kunnen rokers - paria's van de samenleving - zo langzamerhand geen kant meer op. En wat voor het roken geldt, geldt ook voor andere zaken, zoals het instellen van de avondklok in binnensteden, het dragen van schooluniformen en maatregelen ter bevordering van de veiligheid in het verkeer. Clinton mag dan hebben verklaard dat het tijdperk van big government voorbij is, hij en Hillary waken wel als twee hoofdverplegers over het welzijn van de bevolking. Veel Amerikanen vinden het een onuitstaanbare vorm van betutteling.

Wat Amerikaanse journalisten daarnaast irriteert, en Michael Kelly richting de waanzin dreef, is Clintons stijl van regeren. De manier waarop de president en zijn team van spinmeisters tot nu toe hebben gereageerd op het schandaal van de illegale fondsenwerving is daarvan een goed voorbeeld. De tactiek van het Witte Huis bestaat uit een unieke combinatie van plooibaarheid en onverzettelijkheid van gedeelde verontwaardiging over 'het systeem' dat de financiële uitwassen van de afgelopen campagne mogelijk maakte en - er in een adem aan toegevoegd - absolute onwil om het op een energieke manier aan te pakken. Tijdens zijn laatste persconferentie, op 6 augustus, werd Clinton de volgende vraag gesteld: “U bent toch voor wijziging van de manier waarop fondsen worden geworven? Waarom blijft u er dan aan meedoen?” Antwoord: “Ik ben er trots op dat ik eraan deel blijf nemen. Ik geef toe, ik ben schuldig. Ik geloof niet in eenzijdige ontwapening. Stel dat ik tegen u zou zeggen: advertenties in kranten zijn verwerpelijk, uw krant zou er eigenlijk mee moeten stoppen, terwijl andere kranten ermee doorgaan, en ik zal iedereen ervan proberen te overtuigen dat u zo'n goede krant maakt. [...] We leven in een competitieve wereld.”

Clinton was glashelder. Wat hij heeft gedaan was niet in de haak, verboden, onwettig. Maar hij beheerst het spel als geen ander, en zal het in de toekomst naar hartelust blijven spelen, zo lang dat in de strijd tegen de Republikeinen noodzakelijk is.

Clinton, schreef Kelly, is 'een schurk, verleider, sluwe hond, een zelfbewuste bad boy'. Dat was ook de conclusie van Bob Dole, na de verkiezingen van vorig jaar. Dole was alleen wat milder in zijn oordeel, noemde de president 'een innemende schurk die voortdurend het schemergebied tussen goed en fout verkent'. Bush, Gingrich, Dole en nu ook Kelly: geen van allen hebben ze vat op Clinton gekregen. Wat de laatste betreft: Kelly's kritiek maakte nu ook weer niet zo veel indruk dat de president zich er wat van aantrekt. Hij is rustig doorgegaan met datgene waar hij zo trots op is: het werven van fondsen. De journalist die hem daarbij de afgelopen maanden zeurderig begeleidde heeft hij niet eens zelf van zich af hoeven slaan. Dank zij Peretz, vriend van kroonprins Gore, kan Clinton nu weer rustig zijn favoriete weekblad doorbladeren.