Briefkaart uit Vigur Ijsland; Onder de lawine

Wie naar Isafjördur vliegt, ziet het eilandje Vigur soms onder zich als een opmerkelijk groene vlek in het donkere water van de Isafjardardjúp, zoals de grote fjord hier heet. Vanuit Isafjördur, de hoofdstad (3.500 inwoners) van de IJslandse Westfjords, is het twintig minuten per auto naar Súdarvik, waar de verbouwde vissersboot vertrekt naar Vigur.

Ruim een uur duurt de overtocht. Onderweg naar het haventje passeer je de resten van de huizen in Súdarvik die door de lawine werden verwoest. Negentig jaar woonden mensen aan de voet van de vele honderden meters hoge bergen zonder dat er ooit iets gebeurde. Maar in januari 1995 kwam de metersdikke sneeuw opeens met donderend geweld naar beneden, twintig van de ruim 200 inwoners werden gedood. De verwoeste huizen zijn niet herbouwd. De nieuwe woningen van Súdarvik staan enkele honderden meters verderop, bij de haven en de visfabriek waar het veiliger is.

Voor Vigur, twee kilometer lang, vierhonderd meter breed en op een punt 62 meter hoog boven de zee, zijn de bergen geen bedreiging. Sinds 1400 hebben mensen hier veilig geleefd. Nu woont er nog maar een grote familie, grootvader (79) en grootmoeder (71), hun twee zoons en hun echtgenotes, allen veertigers, en vier kleinkinderen, die in Súdavik op school gaan - maandag met de boot heen en vrijdags terug. Het gras op Vigur is zo opvallend groen en mals door de heilzame werking van de mest van de vogels die hier leven: honderdduizend papagaaiduikers en 3.500 paren eidereenden. Er zijn nog meer dieren: een hond, twee paarden, en twaalf melkkoeien die naar hartelust kunnen grazen.

De eidereenden verschaffen een deel van het inkomen van de familie. Uit hun nesten wordt drie keer per seizoen een beetje dons geplukt. Dat leverde dit jaar in totaal 60 kilo dons op, dat voor 900 dollar per kilo naar China wordt verkocht waar het wordt gebruikt voor slaapkussens.

Op Vigur bevindt zich de enige windmolen van IJsland waar vroeger het graan gemalen werd om brood te bakken. Er is ook een postkantoortje, het kleinste van het land, met een eigen poststempel als filatelistische attractie. 's Zomers komen er gemiddeld 2.000 toeristen, met de boot uit Súdavik of Isafjördur.

In het Viktoriahuis, een voormalige boerenwoning die met geld van het Nationaal Museum is gerestaureerd, is een klein café annex lunchroom ingericht. Drieduizend bezoekers per seizoen (drie maanden) is ons maximum, zegt een van de broers die net de koeien heeft gemolken.

In de ruige Westfjords met hun hoge kale bergen wonen weinig mensen. Er is hier en daar een dorp, meestal met enkele honderden inwoners. Flateyri (400 inwoners), verder naar het westen aan de noordzijde van de Onundarfjord, geldt als het mooiste. 's Zomers kwamen hier vaak musici en kunstenaars uit Reykjavik en andere delen van het land. Ze ontmoetten elkaar bij Vagnin, het café-restaurant waar in de weekeinden gespeeld en gedronken werd. Maar ook hier kwam, even onverwacht als in Súdavik, in augustus 1995 een sneeuwlawine naar beneden. Veertien mensen vonden de dood.

Op de berghelling boven Flateyri werpen bulldozers enorme versperringen op om een nieuwe lawine op te vangen en langs de bebouwing te leiden. In restaurant Vagnin speelt het bandje die avond prima muziek, maar de ware stemming ontbreekt. Want vanaf de straat voor Vagnin zie je de berg met de diepe wonden die de bulldozers hebben aangebracht. Flateyri dat nog altijd treurt, zal niet meer worden zoals het was. En de kleine idylle van Vigur, aan de andere kant van de bergen, is onzichtbaar ver.