Lekker is niet duur

Zeg: 'Ik heb in een sterrenrestaurant gegeten', en driekwart van de Nederlanders vraagt hoe duur het was. De rest is benieuwd of je hebt genoten. Deze, uit eigen ervaring verkregen, statistische gegevens bevestigen het cliché van de Nederlander die, als het om eten gaat, de prijs belangrijker vindt dan de kwaliteit.

De Nederlander die de beste en duurste groenten, kaas en lamsvlees van eigen bodem laat exporteren en zelf genoegen neemt met tweede keus. En die grote porties hoger schat dan verfijning. Zo vindt de Nederlander ƒ 6,95 een redelijke prijs voor een fles wijn. Het vervaardigen, transporten en in de winkel te koop aanbieden van een lege fles uit Frankrijk kost al vijf gulden, inclusief drie cent voor de kurk. Dan blijft er nog geen twee gulden over voor de wijn.

Nederlands beste koks klagen in interviews vaak over de vaderlandse gast die voor een goede maaltijd te weinig over heeft. Het bieden van waarlijk gastronomisch genot is een roeping en een kok wordt er in Nederland niet rijk van. Het tegen betaling openknippen en aanprijzen van zakjes groentenmix op de televisie is, als we de chefs mogen geloven, bittere noodzaak om het hoofd boven water te houden.

Feit is dat de zeer goede restaurants in het zuiden van het land het voor een belangrijk deel van de Belgische gasten moeten hebben. En zelfs in het noordelijke Blokzijl, trof ik in het befaamde restaurant Kaatje bij de Sluis verschillende tafels met Belgische gasten. Belgen eten beter, genieten meer en zijn daardoor gezonder en leven langer, zo onthulde vorig jaar een professor uit Leuven. Dat opent perspectieven voor een aantrekkelijk, geheel nieuw volksgezondheidsbeleid.

Ik vind uit eten gaan juist opmerkelijk goedkoop. Alles zelf koken, dat is pas duur. Zeker als je niet alleen met schaar en magnetron wil werken. Reken voor het boodschappen doen, het koken en afwassen het tarief van een witte werkster, dan is een dagschotel in het eetcafé voor ƒ 22,50 een klein prijstechnisch wonder. Over de ingrediënten en de afschrijving van de keuken hebben we het dan nog niet eens gehad.

Uit eten in een twee-sterrenrestaurant is nog voordeliger. Neem een avond bij L'Auberge van Emmanuel Mertens in Weert, een van Nederlands beste restaurants. Je geniet er al gauw een uur of vier van de maaltijd, aperitief en koffie meegerekend. De kosten daarvan zijn ƒ 175,00 per persoon. Dat lijkt veel geld, toch is het maar 72,9 cent per minuut. Of bezoek een restaurant op weg naar de top. Bij Sot-l'y-laisse in Utrecht vergt een avondvullend menu ƒ 125,00 per persoon. De gasten zijn er zeker vier uur onder de pannen, dus de prijs is iets meer dan 52 cent per minuut.

Hoe goedkoper het restaurant, hoe duurder je uit bent. Settlers is een nieuwe keten formulerestaurants die in het marktsegment van het voordelig uit eten gaan Nederland moet veroveren. Daartoe doen ze een beroep op ons tot nu toe latente country-gevoel en moeten we ons in Texas wanen. Als groot en voordelig worden buiten de rib-eye steaks aangekondigd. Eenmaal binnen valt het prijsniveau tegen omdat de gepofte aardappel, de pepersaus, de sla en de gebakken uien als country side-orders apart in rekening worden gebracht. Langer dan een uur houd je het er niet uit, te meer omdat de bedienende jongens en meisjes op gezette tijden in zang en dans uitbarsten en daarbij de servetten als waren het lasso's hanteren. De rekening bedraagt ƒ 52,50 per persoon. Het bedrag per minuut komt uit op 87,5 cent, voor aanmerkelijk minder culinair genot dan bij de betere restaurants.

Of vergelijk het eens met een bezoek aan McDonald's. Een bestelling van een hamburger, een portie frites en een beker cola heeft daar de inflatoire naam 'menu'. Een BigMac-menu kost ƒ 8,95. Als fastfoodrestaurant stelt McDonald's niet teleur, je staat binnen tien minuten weer buiten. De culinaire minuutprijs is 89,5 cent. Geen kwaad woord over de BigMac, maar McDonald's kan aan het gunstige prijsniveau van het twee-sterrenrestaurant niet tippen.