Intellectuele hoogbouw

Binnen een jaar is Rotterdam vier tijdschriften rijker geworden, een literair (Passionate), een literair met beeldende kunst (Tortuca), een algemeen cultureel (Transito) en een cultureel-historisch, Weena. Het een is duurder dan het ander. “Van de subsidies die in het culturele halfjaarboek Transito zijn gestoken, kan ik drie jaar leven”, zegt Michiel Wielema (37), oprichter en enig redacteur van 'Weena', dat een half jaar geleden het licht zag.

Het blad dat zijn naam ontleent aan de 'kantoorboulevard' met Nederlands hoogste gebouw en dan ook bedoeld is voor de 'intellectuele hoogbouw' (Wielema) onder de inwoners van de Maasstad, is uit nood geboren. Wielema raakte in 1996 zijn baan aan de faculteit van wijsbegeerte aan de Erasmus Universiteit kwijt. Behalve het schrijven van filosofische columns voor het Kralingse weekblad 'De Ster' had hij niets omhanden. “Als werkloos filosoof heb ik weinig kans op de arbeidsmarkt. Maar als geboren Rotterdammer wil ik me voor de stad verdienstelijk maken. Zo kwam ik op het idee een blad op te richten dat met gedegen artikelen een bijdrage voor de stedelijke samenleving zou kunnen zijn.”

In de vijf tot nog toe verschenen nummers was er veel aandacht voor geschiedenis. Er waren lezenswaardige bijdragen over 'de Kuip', Delfshaven, de katholieke arbeiders op Feijenoord en hun pastoor aan het eind van de vorige eeuw en - iets actueler - de rellen in de Afrikaanderwijk in 1972. Maar dergelijke onderwerpen zijn niet bepaald verrassend. Drie meer actuele artikelen van Joris Boddaert over het 'weergaloze Weena' was wellicht wat veel van het goede - zo goed is het Weena niet. Wielema: “Het historisch aspect komt in de komende nummers wat minder aan bod. Het decembernummer gaat over film en volgend jaar maart staan de verkiezingen voor de gemeenteraad centraal.”

Human interest bleef tot nu beperkt tot een vraaggesprek met Faas Wilkes, 'de beste schijnbeweger aller tijden', die in het begin van de jaren vijftig bij Inter Milaan naam maakte ('300 gulden per gewonnen wedstrijd en 200 gulden bij gelijk spel, althans officieel, officieus was het meer'). Literaire bijdragen waren er tot nog toe vooral van Jan Borst en Manuel Kneepkens met 'Rotterdamse gedichten'.

In het eerste Weena-nummer dat ten doop werd gehouden in Boekhandel Van den Bos in de Witte de Withstraat, stelde Wielema vast dat zijn tijdschrift een 'uiting van de stadscultuur' van Rotterdam is, vooral omdat 'het niet wil behoren tot de culturele voorzieningen (Transito?) die de Rotterdammers meestal met enige argwaan ontvangen'. Vijf nummers later blijkt Wielema behalve filosoof ook optimist: hij is niet ontvreden met een losse verkoop van veertig exemplaren per maand en honderd abonnementen. “Met driehonderd abonnementen kan het blad zichzelf bedruipen.” Maar boekhandel Van den Bos sloot onlangs voorgoed - de 'intellectuele hoogbouw' van de Maasstad kocht bij hem te weinig om van te kunnen leven. Van den Bos had maar een keer succes: met zijn laatste uitverkoop - met 40 procent korting.