Het eindeloze zoeken

'Wie wat vindt, heeft slecht gezocht', luidt de titel van een bundel van Rutger Kopland. Het is een aansporing om niet te snel te denken dat je er bent, om niet lui of gemakzuchtig te zijn. In een interview dat Yoeri Albrecht met Willem Jan Otten had in Vrij Nederland staat een variant erop.

Albrecht, die Otten vraagt hoe katholiek hij nu is, zegt na het antwoord: “Ik vind het eigenlijk een beetje een teleurstelling, de zin die het beste bij u past, is volgens mij: 'Ik ben blijven denken'. Als je in levensbeschouwelijke zin iets gevonden hebt, dan blijf je niet denken.” Otten antwoordt onder meer met een verwijzing naar Koplands bundeltitel, maar die verandert hij een beetje: “Wie gevonden heeft, heeft slecht gezocht.” Daardoor gaat die uitspraak betekenen: wie onwrikbare waarheden gevonden heeft, heeft slecht gezocht. En zulke waarheden heeft hij beslist niet tot de zijne gemaakt. Integendeel, hij zoekt zich, zo valt te lezen, te pletter.

Albrechts teleurstelling is er een die je heel vaak hoort. Wie gelooft, denkt niet na. Wie een levensbeschouwing heeft gevonden, heeft zijn verstand uitgeschakeld. Daar klinkt in door dat elke levensbeschouwing bestaat uit een verzameling antwoorden. En de kritische geesten denken met, alweer, Kopland: “Geef mij maar een vraag en geen antwoord”.

Vorige week hield Huub Oosterhuis de jaarlijkse Abel Herzberglezing. De titel daarvan alleen al getuigt niet van grote zekerheid ten aanzien van de eigen levensbeschouwing: 'Vertrouw je toe aan het verhaal van de Enige, als hij al bestaat'. Het gedeelte achter de komma - 'als hij al bestaat' - is cruciaal. Het laat de mogelijkheid open dat er geen god is. En het betekent dat, in ieder geval voor Oosterhuis, geloven eerder hopen of verlangen is dan zeker weten. Eerder durven - vertrouw je toe -, dan het zich lekker makkelijk maken. Hoe dat 'zich toevertrouwen' dan ook precies in zijn werk zou moeten gaan.

Zowel Oosterhuis als zijn co-referent Jan Greven stortte zich met ware heldenmoed op de onoplosbare kwestie van het kwaad, van de wraakzuchtige en vernietigende god over wie vooral in het Oude Testament nogal eens verteld wordt. Ze richtten zich tot Karel van het Reve die schreef over 'De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen', en tot Maarten 't Hart die geen zin heeft in een god die zijn moeder keelkanker stuurt.

Het blijft een groot probleem: als god de wereld heeft geschapen, waarom is er dan zo veel ellende? En als hij daar niets aan kan doen, waarom wordt hij dan almachtig genoemd? En als hij wel almachtig is, maar niet ingrijpt, dan is hij toch niet goed, maar, zoals Van het Reve zegt, ongelooflijk slecht? Wordt het niet tijd eens in te zien dat de god van de bijbel een onmogelijke constructie is? Dat wie daarin gelooft zichzelf aan een stuk door voor de gek zit te houden?

Zowel Oosterhuis als Greven is niet opgehouden met nadenken. Ze kennen deze vragen, ze hebben erover nagedacht, ze geloven niet dat ze er een afdoend antwoord op hebben gevonden. Maar ze zijn niet bereid om dat weinige wat ze wèl gevonden hebben weer op te geven.

Oosterhuis' antwoord is een verschuiving van de blikrichting. Hij wil zich niet bezig houden met de kwade, vernietigende god van sommige bijbelteksten, hij wil de bijbel lezen vanuit een andere geest. De geest die volgens hem ten grondslag ligt aan het geheel, en die er een is van 'krediet geven, vertrouwen, goede hoop hebben', van liefde tot de naaste. “Van deze liefde hangt de hele wereld af.”

Dat lijkt een beetje flauw. Hij plaatst het probleem gewoon buiten de discussie. Greven doet dat niet. Hij wijst erop dat er in de bijbelteksten steeds weer “plekken zijn waar het onheil zijn grenzen kent”, waar God berouw krijgt van de plagen die hij heeft gestuurd, waar hij mensen spaart. En, schrijft Greven, “die plekken worden in de bijbel altijd daar gevonden waar mensen in staat zijn zich over te geven aan God”. Dat lijkt op het eerste gezicht al evenmin een erg bevredigend antwoord. Want wat is dat voor God die eerst overgave verlangt voordat hij besluit iemand te sparen, waar is dan die 'oneindige goedheid', dat 'grenzeloze erbarmen'? Denken deze mensen wel na? Zijn ze niet, toch, verblind door de gedachte dat ze iets hebben gevonden?

Maar wie preciezer leest, ziet dat ze alletwee iets doen dat niet te maken heeft met stoppen met nadenken als het moeilijk wordt. Ze hebben het, uiteindelijk, niet over wat en hoe god is. Ze vragen iets van zichzelf, ze vragen om iets menselijks: de bereidheid om te geloven in de liefde, de bereidheid tot overgave. Ze geloven dat wie dat doet beter leeft, dat die zelfs de wereld draaiende houdt. Dat is wat ze gevonden hebben. Het is niet veel, maar het is tegelijkertijd datgene wat hun leven bepaalt. Het is zeker geen antwoord op alle vragen. Het is wel een uitgangspunt.

Is dat nu teleurstellend? Dat kan moeilijk worden gezegd als iemand iets heeft gevonden wat maakt dat hij het leven beter aankan en wat hem niet verhindert, maar integendeel zelfs aanmoedigt, om te blijven denken over hoe het zit, zou moeten zitten, hoe het zou kunnen, over wat houdbaar is en wat niet. Dat de antwoorden niet voor iedereen bevredigend zijn doet er minder toe - over sommige gebieden van het leven valt niet iets te zeggen dat iedereen bevalt.

Een voor de hand liggende tegenwerping is dat het ook zonder god mogelijk is om te geloven dat het van het grootste belang is dat mensen van elkaar houden. Dat is zo. Maar, zoals Otten in het genoemde interview zegt, sommige geloofsconcepten kunnen richting geven aan een leven, onafhankelijk van of er een realiteit achter zit. Wie naar de kerk gaat, spreekt bij voorbeeld zijn dankbaarheid uit - ook al is het een dag waarop het gevoel van dankbaarheid ver te zoeken is. Die wil dus iemand zijn die dankbaar kan zijn, hoe dan ook, omdat dat de houding is die hij tegenover het leven, tegenover het lot, wil innemen. Die prijst, die zingt, die probeert zichzelf ervan te overtuigen “dat het de moeite waard is om op te staan, je schoenen aan te doen, je te scheren, vragen te stellen”, zoals de schrijver Willem Brakman eens zei. Zelfs als het allemaal in naam is van een god die niet bestaat, dan is het nog een vruchtbaar verzinsel. Goed gevonden. Maar er is geen einde aan het zoeken.