Gergjev excelleert op een afwisselend Gergjev Festival

Concert: Gergjev Festival: Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Valery Gergjev m.m.v. Zoltán Kocsis. Gehoord: 20/9 De Doelen Rotterdam.

Een weekeinde in het Gergjev-festival is een speels komen en gaan van amateurs en professionals, van kinderen en volwassenen, van toevallige luisteraars en muziekfreaks. Zaterdagmiddag openden vijftig slagwerkers, een 'schreeuwkoor' en (op het Schouwburgplein) trommelende kinderen met een compositie van Arent Niks het programmablok voor de jeugd, Children's Corner. In de Doelen concerteerde daarna het Rotterdams Jeugd Symfonie Orkest en speelden zestig pianoleerlingen op twintig klavieren een muziekstuk dat Caecilia Andriessen baseerde op een Liebestraum van festivalcomponist Franz Liszt.

Muziek van Liszt prijkte eveneens op de programma's van het orgelconcert dat Thomas Trotter die middag in de Laurenskerk gaf en van het Rotterdams Philharmonisch Orkest, die avond in de Grote Zaal van de Doelen. Voorafgaande aan het avondconcert werd in de hal een informeel inloopconcert gegeven door het Vooropleidingsorkest van het Rotterdams Conservatorium; na afloop van het avondconcert waren er 'de honderd zigeuners uit Boedapest' te horen - of zoveel minder als het kleine ensemble hieruit onder leiding van Sandor 'Bufo' Rigo telt.

Het zijn allemaal festivalonderdelen met hun eigen merites, maar uiteindelijk vormen zij de slechts de feestelijke omlijsting van de concerten die geleid worden door Valery Gergjev. Tijdens het avondconcert wist Gergjev zijn Rotterdams Philharmonisch Orkest op momenten tot grote hoogte op te stuwen. De uitvoering van de Suite uit De Wonderbaarlijke Mandarijn van Béla Bartók was bij vlagen briljant: helder, dwingend, narratief, stuwend en messcherp gespeeld. Bartóks Tweede pianoconcert met Zoltán Kocsis als solist viel na deze vulkanische opening tegen. In het eerste deel zochten solist en dirigent hoorbaar naar de vorm. De klare lijn in Kocsis' spel was ver te zoeken; Gergjev slaagde er niet in de contrasten logisch tegen elkaar uit te spelen. In het middendeel toonde Gergjev zich echter weer die fascinerende kleurmaker die hij kan zijn. De strijkers konden in alle rust en concentratie de ijzige contouren neerzetten voor de cantilenen van de solist, waarna met een ononderbroken ritmische opwinding het slotdeel tot meer dan goed einde werd gebracht.

La Notte van Franz Liszt vormde met de sobere thematiek en de opengebroken klanken, vervuld van heimwee, een stemmige opmaat tot Daphnis et Chloé (Suite nr. 2) van Maurice Ravel. In een tot het uiterste gecontroleerde beheersing van vorm, balans, dynamiek en tempo werd deze Daphnis et Chloé een extatische jubeling.