'Fondsenwerving vanuit Witte Huis'; Clinton onderwerp van onderzoek ministerie

WASHINGTON, 22 SEPT. Het Amerikaanse ministerie van Justitie is een formeel onderzoek begonnen naar aanwijzingen dat president Clinton, in strijd met de wet, vanuit het Witte Huis telefonisch om bijdragen heeft gevraagd voor zijn verkiezingscampagne.

Dat heeft het ministerie zaterdag bekendgemaakt. Het is voor het eerst in het schandaal van de campagnegelden dat het onderzoek van Justitie zich speciaal op de president richt.

Het onderzoek kan leiden tot de aanstelling van een onafhankelijke aanklager, die onafhankelijk van de minister van Justitie een vervolging kan instellen. Twee weken geleden maakte Justitie al bekend dat eenzelfde soort onderzoek wordt ingesteld naar vice-president Gore, die erkend heeft dat hij vanuit het Witte Huis per telefoon geldschieters heeft benaderd. Clinton sluit niet uit dat hij dat gedaan heeft, maar hij zegt het zich niet te herinneren. Het Witte Huis heeft Justitie volledige medewerking beloofd.

De Republikeinen in het Congres reageerden tevreden op het besluit van minister Janet Reno van Justitie. Clinton is er zaterdag van op de hoogte gesteld. Hij was met zijn vrouw Hillary op reis in Californië, waar ze hun dochter Chelsea wegbrachten voor haar eerste studiejaar aan de Stanford-universiteit, ten zuiden van San Francisco. Zaterdagavond woonde de president drie bijeenkomsten bij voor de inzameling van fondsen voor de Democratische partij, samen goed voor iets minder dan een miljoen dollar.

Het onderzoek dat Justitie nu begonnen is richt zich vooral op twee vragen. Heeft de president vanuit het Witte Huis per telefoon geldschieters om bijdragen voor zijn campagne gevraagd? En als hij dat heeft gedaan, was dat dan een overtreding van de wet?

Nog niet één donateur heeft in het openbaar gezegd dat de president hem of haar om geld heeft gebeld. Clintons vroegere plaatsvervangend stafchef Harold Ickes heeft erkend dat hij er bij Clinton vaak op aandrong dat hij dergelijke telefoontjes op zich nam, maar hij zei ook dat de president daar moeilijk toe te brengen was. Een enkele keer, verklaarde Ickes tegenover juristen van de senaatscommissie die de kwestie onderzoekt, “had ik het geluk om te ontdekken dat hij zowaar een telefoontje had gepleegd”.

De Amerikaanse wet verbiedt het vragen om campagnebijdragen in overheidsgebouwen. Die wet, die dateert van de vorige eeuw, was bedoeld om te voorkomen dat politieke functionarissen hun ondergeschikten op ministeries onder druk zetten om geld in hun campagnekas te storten. Veel Congresleden verlaten hun kantoor als ze telefonische verzoeken om campagnebijdragen moeten doen en gebruiken dan een paar straten verder de telefoon in hun partijbureau.

Maar juristen verschillen van mening over de vraag of de wet ook van toepassing is op telefoontjes naar mensen die niet in dienst van de overheid zijn en die zich ook niet in een overheidsgebouw bevinden. Verder, argumenteren medewerkers van de president, is de wet nooit bedoeld om bijdragen van vrijwillige donoren te voorkomen.

Ook heeft het Witte Huis steeds gezegd dat de telefoontjes van Clinton en Gore hoogstens bedoeld waren om geld op te halen voor algemene activiteiten van de Democratisch partij, zogeheten soft money, dat niet wettelijk gereguleerd is. De afgelopen weken is echter gebleken dat geld dat Gore telefonisch heeft binnengebracht wel degelijk op een rekening is gestort voor de campagne van Clinton en Gore en dus toch hard money was, dat aan allerlei regels gebonden is.

Minister Reno is de afgelopen maanden door de Republikeinen in het Congres onder zware druk gezet om een onafhankelijk aanklager te benoemen. Tot nog toe hield ze steeds vol dat daarvoor geen aanleiding was, maar sommige Republikeinen dreigden een afzettingsprocedure tegen haar in werking te stellen als ze bleef weigeren.

Eerder deze maand besloot minister Reno de groep FBI-agenten en juristen van haar ministerie die het hele schandaal van de campagnegelden onderzoekt uit te breiden, tot spoed te manen en van een nieuwe leider te voorzien.

Als het formele onderzoek, dat maximaal dertig dagen mag duren, “specifieke en geloofwaardige” informatie oplevert dat de president de wet heeft overtreden, moet de minister besluiten tot een vervolgonderzoek, dat negentig dagen mag duren. Daarna moet ze besluiten of ze de zaak overdraagt aan een onafhankelijke aanklager.