Zuid-Afrikaanse pers keek naar het eigen verleden

De Zuid-Afrikaanse Waarheids- en Verzoeningscommissie voelde deze week de pers aan de tand over haar rol ten tijde van de apartheid. Er kwamen onthullingen over spionage en over zwarte journalisten die slaag kregen.

JOHANNESBURG, 20 SEPT. Studio 3 van de South African Broadcasting Corporation (SABC) in Johannesburg. Voorbij het decor van het televisieprogramma Jackpot, onder een dak van felle televisielampen keek de Zuid-Afrikaanse pers drie dagen lang naar zichzelf, naar haar eigen verleden onder de apartheid. De Waarheids- en Verzoeningscommissie legde, in het hart van het voormalige propaganda-apparaat van het blanke bewind, het zere verleden van de journalistiek in Zuid-Afrika bloot. Niemand bleef gespaard: dat de Afrikaanstalige bladen Beeld, Huisgenoot, Insig en andere publicaties destijds propaganda bedreven en dat er spionnen actief waren was bekend, maar dat ook op de kantoren van de BBC, het persbureau Reuter en van de vooraanstaande 'liberale' krant The Star 'mollen' opereerden was nieuw.

Zo werkte Craig Kotze tussen 1984 en 1990 als misdaadverslaggever bij The Star. Tezelfdertijd was hij in het geheim politieagent met als opdracht positief over de regering te schrijven. Pas deze week onthulde hij voor de Waarheidscommissie zijn dubbelrol, niemand op de redactie zou destijds hebben geweten dat Kotze een informant was. Kotze, die nu een hoge baan heeft als adviseur van de nationale commissaris van politie, rechtvaardigde in een nerveuze, opgewonden stijl zijn toenmalige keuze. “Iedereen was gedwongen partij te kiezen. Ik koos voor de politie en het leger, niet om apartheid te verdedigen, maar om slachtingen zoals elders in Afrika te voorkomen.” Hij voegde er, tot verbazing en ongeloof van de commissieleden en het aanwezige publiek, aan toe dat de politie destijds streefde naar een “vreedzame overgang, in tegenstelling tot de bevrijdingsbewegingen die duizenden mensen doodden”. De (zwarte) cameraman die Kotze in beeld moest brengen schudde er meewarig zijn hoofd over.

Commissielid Hlengiwe Mkhize las Kotze voor uit diens toenmalige berichtgeving, waarin hij louter de visie van de autoriteiten weergaf. De commissie had meer dan 100 van zijn stukken gelezen en ze hadden volgens Mkhize allemaal dezelfde “eenzijdige strekking”. Mkhize, sceptisch: “Ik ben geen journalist, maar voor meneer Kotze bestaat er niet zoiets als hoor en wederhoor”. Kotze verdedigde zich met het argument dat aan de andere kant van het politieke spectrum “verscheidene journalisten agenten van het ANC” waren. “Vooral zwarte journalisten zagen niet de noodzaak zich te bedienen van de gangbare journalistieke principes en namen openlijk deel aan de strijd.”

Dit laatste werd bevestigd door Zubeida Mayet, lid van de toenmalige Bond van Zwarte Journalisten (UBJ). Mayet zei dat de druk van de apartheid het voor zwarte journalisten onmogelijk maakte langs de zijlijn te blijven staan. “Ik was niet een erg politiek gemotiveerd persoon, maar het probleem voor zwarten in die dagen was, of je het leuk vond of niet, dat je wel politiek moest zijn.”

De beheersing van de media door de staat werd geregeld door een organisatie onder de naam Stratcom, een afkorting voor 'strategische communicatie'. Vic McPherson, het toenmalige hoofd van Stratcom, dat ressorteerde onder de veiligheidspolitie, verklaarde voor de Waarheidscommissie dat eind jaren tachtig meer dan veertig agenten werkzaam waren in de media. De toenmalige president, F.W. De Klerk, was volledig op de hoogte van de operaties en gaf er zijn fiat aan. Stratcom verspreidde ook doelbewust valse informatie om oppositie tegen de regering in diskrediet te brengen.

De huidige hoofdredacteur van het Britse persbureau Reuter, Mark Wood, reageerde verbijsterd op de onthulling dat ook zijn kantoor niet smetvrij was. “Wij zijn ons nooit bewust geweest van enige vorm van infiltratie door de Zuid-Afrikaanse autoriteiten en we zijn ervan overtuigd dat geen van onze journalisten, in verleden en heden, er bewust bij betrokken was.”

Maar Graig Williamson, de gezette voormalige meesterspion, zei dat het verzamelen van informatie door de staat plaatshad op alle niveaus en bij alle instellingen. “De relatie van de staat met de media was een macro-continuüm”, aldus Williamson, “het begon op het niveau van de uitgevers, via de hoofdredacteuren tot aan de man die 's nachts de prullenbakken leegde en alles wat je wilde hebben in een envelop stopte.”

De SABC (televisie en radio) was als het belangrijkste medium ook het hoofddoel van de regering voor het uitoefenen van controle. Johan Pretorius, voormalige hoofdredacteur van het televisienieuws gaf voor de Waarheidscommissie onomwonden toe dat de staatstelevisie louter een verlengstuk was van de regering. “Hebben de SABC en zijn journalisten bijgedragen aan schendingen van de mensenrechten? Ja. Hielp de SABC mee om de apartheid in stand te houden? Ja. Maar dit moet worden bekeken in zijn historische context.” Veel omroepmensen waren lid van de Nationale Partij en daaraan verwante organisaties, aldus Pretorius.

SABC-werknemers Tseliso Ralitabo en Zakes Nene beschreven hoe zwarte employés bij de SABC werden gedwongen de politiek van de Nationale Partij te onderschrijven. “Men dreigde de zwarte werkers voortdurend met een regeling, sectie 14 genoemd, die bepaalde dat elke blanke automatisch boven een zwarte stond en het recht had een zwarte collega te ontslaan die hardegat (opstandig) was.” SABC'ers die een 'overtreding' begingen, kregen de keus tussen ontslag op staande voet of slaag met de sjambok (zweep). “Als je naar een blanke vrouw keek of naar het slegs vir blankes toilet ging kreeg je met de zweep”, zei Zakes Nene. Hij overhandigde de Waarheidscommissie de namen van zwarte televisiemedewerkers die een afranseling verkozen boven ontslag.

Een van de weinige informanten die destijds door collega's werden ontmaskerd was John Horak, die 27 jaar lang een dubbelrol speelde en onder andere werkte bij de 'linkse' krant Rand Daily Mail, de SABC en de Sunday Times, de grootste Zuid-Afrikaanse zondagskrant. In zijn submissie voor de Waarheidscommissie zei Horak dat de nieuwsredacties van de Zuid-Afrikaanse media in de jaren van de apartheid waren verdeeld in “informanten en communisten”. Verscheidene collega-journalisten hadden Horak destijds benaderd omdat ze voorstanders van de apartheid waren. Op zure toon vervolgde Horak dat sinds de afschaffing van de apartheid in 1993/94 de situatie veel erger is geworden. “Er werken nu meer mensen als informanten en agenten op de redacties dan in het verleden.”