Zou Kok zijn zanderige pragmatisme van Lubbers hebben afgekeken? Het paarse gevaar

Onder paars is de verklontering van de Nederlandse politieke cultuur versterkt. De doenerigheid van het kabinet kan niet verhullen dat de politiek in een steeds benarder positie verkeert: enerzijds wordt die steeds ambtelijker, anderzijds verdringt het imago de inhoud. Regeren vanaf een kaalgetrapt middenveldje.

Na Prinsjesdag is één ding duidelijk: we hebben het nog nooit zo goed gehad. De beheerste feeststemming deed me denken aan het Engeland van de late jaren vijftig. Toen meende ook vrijwel iedere Brit dat het voortreffelijk ging met het Koninkrijk. De Conservatieven waren sinds 1951 aan de macht en premier Harold MacMillan, schatrijk eigenaar van een gelijknamig uitgeversbedrijf en every inch een Britse aristocraat, liet zich zijn publieke koosnaam 'Supermac' graag aanleunen. Onder het Conservatieve bewind leek een nieuwe toekomst voor het kleine eiland met het grote verleden te gloren. Sinds een paar jaar waren boter, kaas en eieren van de bon en in 1959 veroverde Supermac ook de Britse arbeidersklasse door een verlaging van de bieraccijns. De rafelige wederopbouwjaren, gedurende welke de Britse huisvrouw walvisvlees en snoek piquante had leren bereiden, maakten plaats voor de glanzende overvloed van de consumptiemaatschappij. Ook voor de Brit-in-de-straat kwamen nu de wasmachines, televisies, auto's en Spaanse costa's binnen handbereik. In 1957 verklaarde premier MacMillan dan ook tevreden: “Let's face it: most of our people never had it so good.”

Het was niet alleen dé verklanking van Britse zelfgenoegzaamheid in de jaren vijftig, maar ook een gevaarlijk staaltje zelfbedrog. Het nieuwe strooigoed leidde immers de aandacht af van wat reeds enkele jaren later berucht zou worden als 'the British disease': een verouderd industrieel apparaat, een archaïsch arbeidsbestel, een onbeteugelbare inflatie en een misplaatst internationaal statusbewustzijn.

Historische vergelijkingen gaan zoals bekend meestal mank. Niet dat de moeizaam verholen paarse eigendunk onder hoeft te te doen voor die van de Britse Conservatieven in de jaren vijftig, integendeel. En meer nog dan Supermac lijkt Superwim ontstegen aan de aardse trivialiteit van de partijpolitiek. “De werkelijke vernieuwing van de PvdA begint met het definitieve afscheid van de socialistische ideologie”, zo sprak Kok twee jaar geleden. Zie hier de deconfessionalisering van links, maar anders dan bij de kerken begint dit proces niet van onderen. Superwim zelf verklaart per decreet de rode geloofsartikelen ongeldig.

Het verschil met het Britse voorbeeld zit 'm hierin: het paarse 'never had it so good'-triomfalisme maskeert niet een economische, maar een politieke ziekte. Opmerkelijk genoeg verschafte juist PvdA-fractievoorzitter Wallage aan de vooravond van Prinsjesdag een leerzaam inkijkje in de verwording van de Nederlandse politiek in de jaren negentig. Ministers moeten weer sidderen voor de volksvertegenwoordiging, aldus Wallage. Volgens de parlementariër, die naar eigen zeggen op straat voor een minister versleten wordt, is het parlement onherkenbaar geworden in de Haagse bestuurskluwen van ambtenaren, ministers en Kamerleden. Op hun beurt worden ministers gegijzeld door hoge ambtenaren die als feodale vorsten hun departementale koninkrijkjes regeren en de minister als een tijdelijke leenheer behandelen.

Zijn oplossingen waren even paradoxaal als onzinnig: breng het parlement terug tot de omvang die het in 1956 had en stop alle ministers in één trainingskamp, liefst zo ver mogelijk afgelegen van hun bedilzieke ambtenaren. Maar interessanter dan de voorgestelde remedies is de kwaal die de PvdA-fractievoorzitter signaleerde: de verambtelijking van de politiek, de depolitisering van de beleidskeuzes, en de vertolking van ieder dualisme.

Was niet juist een herstel van dat dualisme ons in het vooruitzicht gesteld nadat supermonist Lubbers meer dan een decennium de 'BV Nederland' vanuit het Torentje had bestierd? Volgens Wallage is het echter onder paars alleen maar erger geworden: “Het parlement dreigt onderdeel te worden van de regering. Dat gevaar is veel groter dan een paar jaar geleden.” Dat is een onthutsende constatering uit de mond van een overtuigende paars-adept.

Wallage's uitspraken illustreren ook dat dit paarse kabinet geen breuk veroorzaakt heeft: noch in de Nederlandse politieke cultuur van de jaren tachtig, noch in de grote beleidslijnen zoals uitgezet tijdens de kabinetten-Lubbers. Goed, er wordt meer gelachen dan onder Lubbers, en de economie is een hogere versnelling geschoten, maar opmerkelijker is de verpletterende continuïteit met het pre-paarse verleden. Het tot vervelens toe geprezen poldermodel is daar wel het meest voor de hand liggende voorbeeld van. Niet alleen wortelt het loonmatigingsbeleid diep in de jaren tachtig, maar de Nederlandse vakbeweging onderscheidt zich al sinds de Tweede Wereldoorlog door haar extreme gematigdheid en een haast ouwelijk aandoend verantwoodelijkheidsbesef.

En wat te denken van het onvermogen van het CDA tot een serieuse oppositie in de afgelopen drie jaar? Goed, het was natuurlijk even wennen in deze nieuwe rol voor die door de macht geverfde christen-democraten, maar ook na de inwisseling van de trage linkervleugelaar Enneüs Heerma voor de rechtsvoetige spitsspeler Jaap de Hoop Scheffer dringt zich één onontkoombare conclusie op: er valt voor het CDA, met uitzondering van wat obligaat gepruttel over de geschonden zondagsrust en leidinggang in een paars zonnetje, eenvoudigweg niks te opponeren, zeker niet nu de economische sterren voor het kabinet-Kok zo gunstig staan (een genoegen dat Lubbers helaas nooit heeft mogen smaken).

Wie in de zomer van 1994 dacht dat door een paars kabinet de aloude links-rechts-as plaats zou maken voor een nieuwe dichotomie in de Nederlandse politieke cultuur, is bedrogen uitgekomen. Zeker, de oude richtingwijzers naar links en naar rechts waarop kiezers zich al sinds de vorige eeuw oriënteren, zijn (tijdelijk?) afgedekt, maar er zijn geen nieuwe bordjes voor in de plaats gezet. Een kabinet met D66 in zijn boezem had zich kunnen profileren op thema's die sociologen wel typisch post-materialistisch noemen: het milieu, democratisering, burgerschap en de kwaliteit van het bestaan in immateriële zin. Daar is niets van terecht gekomen. Inderdaad: it's the economy, stupid!

Kijkend en luisterend naar de reclamespotjes op radio en televisie krijgt men een goed beeld van de nieuwe tijdgeest die ook dit paarse kabinet bezielt. Uit het brabbel-lingo van interleasers, managementgroups, teleconnectionpoints en beursprofitbrokers schreeuwt ons een steeds agressiever en schaamtelozer kapitalisme toe. Sinds de sociaal-democratie de markt én de macht omarmd heeft, is iedere kapitalismekritiek verstomd. Over staatsrechtelijke vernieuwing en democratisering hoor je - behalve Jacques Wallage vorige week - sinds het kabinet-Kok ook niemand meer.

Mogelijk neemt D66-er De Graaff de gedoofde fakkel van Van Mierlo weer op, maar veelzeggender zijn de uitspraken van de ministers Wijers en Jorritsma. Dezen gaven onlangs te kennen gegeven af te willen van de 'ellenlange' inspraakprocedures die hun infrastructureel 'doorpakken' belemmeren. Het primaat van de economie over het milieu is onder de relatief zwakke (vergeleken met bijvoorbeeld Jorritsma en Wijers) minister De Boer pijnlijk zichtbaar geworden. Het ruimtelijk beleid is een afgeleide van het investeringsbeleid. De grote infrastructurele beslissingen ontberen niet alleen de noodzakelijke samenhang en coördinatie, maar voltrekken zich ook - ik varieer hier even op Wallage - in een ondoordringbare kluwen van ambtelijke werkgroepen, economische lobbies en beroepsbestuurders.

Aan de Agenda 2000-plus van het kabinet-Kok is in ieder geval geen burger te pas gekomen. En dat zal ook wel de bedoeling zijn van deze 'doeners-club' waarvan leider Kok het begrip vernieuwing enkele jaren geleden definieerde als 'talloze concrete, begrijpelijke en heldere afzonderlijke initiatieven'. Is dit het schrikwekkende resultaat van Felix Rottenbergs zendingsarbeid in de Nederlandse sociaal-democratie? Of zou Kok dit zanderige pragmatisme 'werkende weg' van zijn voorganger Lubbers afgekeken hebben? Zonder Rottenberg tekort te willen doen, lijkt mij het laatste toch het moest aannemelijk.

Onder paars is de verklontering van de Nederlandse politieke cultuur, begonnen onder de kabinetten-Lubbers, niet alleen voortgezet maar ook versterkt. Toen het CDA tijdens te laatste verkiezingen eindelijk uit het centrum van de macht verdreven werd, leek er even ruimte ontstaan voor iets nieuws. Dat bleek echter al snel een misverstand. De positie van waaruit het kabinet-Kok regeert, is inmiddels dezelfde als die van de kabinetten-Lubbers: een kaalgetrapt middenveldje.

De ontideologisering heeft de politiek in de meest letterlijke zin betekenis- en inhoudsloos gemaakt. Het is in dit verband veelbetekend dat de kerken na decennia van wonden likken, hun terugkeer in het politieke domein hebben gemaakt. Armoede, normeloosheid, vereenzaming en egoïsme: een programma voor de lijst-Muskens of de lijst-dominee Visser valt in een half uurtje te schrijven.

In 1990, dus op het hoogtepunt van de CDA-macht en nog jaren van de paarse coalitie vandaan, waarschuwde J.W. Oerlemans, hoogleraar moderne geschiedenis aan de Erasmus, in deze krant dat Nederland bezig was een éénpartijstaat te worden. Bij gebrek aan beginselen en ideologische verschillen werd volgens hem de Haagse politiek één grote pot nat. Politici voelen geen duidelijke morele gebondenheid meer aan hun kiezers of aan de publieke zaak, maar laten zich leiden door persoonlijke ambities, ijdelheid en machtshonger. Een oligarchiserng van de politieke besluitvorming is het gevolg, zo schreef Oerlemans zeven jaar geleden. Men kan een ironische bevestiging van zijn gelijk zien in het feit dat dit proces zich versterkt heeft voortgezet onder een regeringscombinatie van een geheel andere samenstelling en kleur. Het paarse kabinet, in feite een kleurloos verbond van links en rechts dat gemakeld werd door het al even kleurloze D66, is dé belichaming van Oerlemans' eenpartijstaat. Bij ontstentenis aan een serieuze oppositie heeft de monistische vlek zich over het hele parlement uitgebreid.

Van Mierlo heeft vaak de personal touch in de politiek gesuggereerd als een oplossing voor het gebrek aan beginselen en ideologische identiteiten. Je moet met andere woorden op mensen stemmen in plaats van op partijen. Maar waar staan die 'mensen' dan precies voor als het niet gaat om beginselen of om maatschappijvisies? Wie is 'de mens' Van Mierlo eigenlijk? En, nog ingewikkelder, wie is dat mens van Borst? En als Kok geen socialist meer is, wat is hij dan wel? Een voorbeeldige fietser? Een eerlijke boekhouder? Een competente manager? De reïncarnatie van Willem Drees? Maar aan de hand waarvan moet de kiezer zoiets beoordelen? Hoe moet hij wijs worden uit die 'talloze, concrete en afzonderlijke initiatieven'?

Geen wonder dat meer dan de helft van de kiezers tegenwoordig zweeft. Pas op het laatste moment van de verkiezingscampagnes geeft een (meestal emotioneel) beeld de doorslag. Politici weten dat als geen ander en laten zich daarom imago's aanmeten door prijzige marketing- en reclamebureaus. Alleen mevrouw Borst oogt nog opmerkelijk naturel temidden van al dit verkoopgeweld. Aan het fabriceren van een imago gaat een zorgvuldig marktonderzoek vooraf. Zo heeft het vertwijfelde CDA onlangs van bureau Trendbox te horen gekregen dat er electorale muziek zit in de burgers die zich ergert aan vandalisme, coffeeshops en plasseksposters. Goed nieuws dus, want dat moet om Grote aantallen gaan! En zo krijgt ogenschijnlijk iedere kiezer de politicus en de partij die bij hem of haar hoort. Maar anders dan bij Wehkamp of Otto kan het produkt niet na een weekje op zicht teruggestuurd worden, bijvoorbeeld omdat na één keer wassen de kleuren verbleekt zijn en het model een hobbezak blijkt te zijn geworden.

Maar misschien is de kiezer helemaal niet geïnteresseerd in die kleurige imago-catalogus uit Den Haag. Misschien houdt hij wel één oog op de koningin en het andere op zijn portemonnee, en stelt hij vast dat hij het nog nooit zo goed heeft gehad. In dat geval heeft het kabinet-Kok weinig te vrezen; de democratie daarentegen des te meer, want die is er beroerd aan toe momenteel.