Tanja of Amra

Wij, Tanja en ik, bevinden ons in de bergen achter Sarajevo en bereiken tegen de avond Lukomir, een gehucht van 40 huizen op de top van een berg op 1800 meter hoogte. Een jonge vrouw in klederdracht begroet ons vriendelijk. “Komen jullie iemand bezoeken?”

Maar nee, wij komen voor niemand in het bijzonder, wij zijn wandelaars die hopen in Lukomir te kunnen overnachten. “O, dat lukt wel, vraag maar wat rond.” Zij moet nu de koeien van het veld halen, “maar als jullie straks nog niets hebben gevonden, help ik jullie.”

Opgelucht - het is toch altijd maar afwachten - lopen we door naar een soort van dorpsplein en gaan daar op een dik stuk boomstam zitten. Vier mannen zijn bezig een koe ertoe te bewegen in de open laadbak van een kleine vrachtauto te springen. Vrouwen in klederdracht staan bij twee bakken water kleren te wassen. Koeien en schapen komen langs om uit dezelfde bakken te drinken. Uit een ijzeren pijp stroomt voortdurend water in de bakken, die daardoor overlopen. Door het dorp, waarvan de grond niet verhard is, loopt een riviertje van modder en mest.

Een oude vrouw die tegenover ons op een rotsblok aardappels zit te schillen, vraagt waar wij vandaan komen en zegt dat wij hier, natuurlijk, kunnen blijven slapen. “Dat wordt wel geregeld.” Wij blijven rustig zitten kijken, in de laatste gouden zonnestralen.

Vlak voordat wij het moslimdorp Lukomir bereikten - en Tanja zag hoe primitief het er nog was - zei ze: “Ik ga daar niet zeggen dat ik Tanja heet. Ik heet Amra.”

In Bosnië zijn namen belangrijk, namen zeggen veel. De naam Tanja zegt dat haar vader geen moslim is maar een Serviër of een Kroaat. De naam Amra zegt: mijn vader is moslim. In Bosnië komen veel gemengde huwelijken voor, maar de 'nationaliteit' (Servisch, Kroatisch, moslim) van de vader is voor de naam van het kind doorslaggevend. Het kind erft ook die nationaliteit en niet die van de moeder.

Ik vind het maar niks, die naamsverandering, maar wie ben ik? Ik, buitenlander, wordt in dit land voor een buitenstaander gehouden maar Tanja is, als Bosnische, of zij nu wil of niet, en al woont ze al vijf jaar in Nederland, partij in het conflict. En Tanja is bang dat waar mensen zo primitief leven als in Lukomir, ze ook primitief zullen denken.

En het is waar: haar nieuwe naam wordt met enthousiasme ontvangen. Als Nura, de vrouw die wij als eerste tegenkwamen, met drie koeien terugkomt en zich ook over ons ontfermt, noemt ze Amra “een fijne naam”. En ook de ouders van Nura, die bij haar inwonen, vinden Amra “een heel goede naam”. Wel stelt het ze teleur, alle drie, dat Amra hier met míj is, dat ze geen moslim voor zichzelf heeft uitgekozen. “Wonen er dan geen moslims in Nederland?” zegt de vader van Nura verbaasd.

Die vader, een klein, pezig mannetje zonder tanden, met levendige, bruine oogjes, is toch niet onvriendelijk tegen mij. Hij wil graag meer over Nederland weten. “Nederland”, zegt hij peinzend, “zijn daar ook auto's?”

Ik zeg dat in Nederland ook auto's zijn.

“En rijden er ook bussen?”

“Er rijden ook bussen.”

“Treinen hebben jullie ook?”

Ook dat bevestig ik. Het mannetje kijkt voor zich uit, terwijl hij, langzaam knikkend, zich een beeld van Nederland vormt.

We krijgen van Nura gebakken aardappelen, tomatensla en brood te eten. Van de melk die ze ons aanbiedt, drinkt Amra twee glazen; mij komt die melk te direct van de koe. Het valt me op dat in dit huis, dat uit twee kamers bestaat en waarin ik niet rechtop kan staan, geen stromend water is - alleen op het dorpsplein stroomt onafgebroken het water in die bakken. Er is wel elektriciteit. Terwijl de ouders van Nura bidden voor het eten, waarbij ze een soort rozenkrans in hun handen houden, galmt uit een gettoblaster Joegoslavische popmuziek, die de 12-jarige zoon van Nura heeft opgezet. Als Amra naar het toilet moet, stuurt Nura haar met een hoofdknik naar buiten, naar de rotsige paadjes tussen de huizen waar ook de honden hun behoefte doen. Amra kijkt haar ongelovig aan. Nura: “Maak je niet druk, niemand die je ziet.” Het is inmiddels pikdonker buiten.

We slapen die nacht op warme dekens boven de stal en staan op met het geblaat van schapen die gemolken worden. Hartelijk nemen Nura en haar ouders afscheid van ons. Toch jammer dat we nooit zullen weten hoe we ontvangen zouden zijn als Amra Tanja was gebleven.