Subsidie-circuits verstikken de kunst

De beeldende kunst in Nederland wordt gekenmerkt door een staatsmonopolie. Er zijn nauwelijks particuliere verzamelaars, maar er worden wel generaties van subsidie-afhankelijke kunstenaars opgeleid, stelt Riki Simons.

Overgelaten aan het vrije spel van de markt, komen verschillende vitale onderdelen van onze cultuur onvoldoende aan bod. Daarom intervenieert de overheid, onder meer met subsidies. Aldus citeert directeur Melle Daamen van de Mondriaan Stichting, een van de grote overheidsfondsen voor beeldende kunst, in NRC Handelsblad van 13 september instemmend een beleidsnota van staatssecretaris Aad Nuis uit 1995.

Maar wat zijn die vitale onderdelen? Wat de beeldende kunst betreft, was 1995 in dat opzicht een verhelderend jaar. Uit een onderzoek van Nuis' eigen ministerie valt af te leiden dat de Nederlandse kunstenaars toen gemiddeld maar liefst zestig procent van hun inkomsten uit overheidsbronnen betrokken. Voor de twintig procent 'kwaliteits-kunstenaars' voor wie het uitgebreide subsidienetwerk primair is opgezet, maakte deze overheidssteun zelfs negentig procent van hun inkomen uit.

Wat de staatssecretaris in zijn nota 'interventie' noemt, is in werkelijkheid dan ook eerder een staatsmonopolie in kunst. Hij laat staatskunst vervaardigen die door ambtelijke instanties en commissies wordt geselecteerd, waarbij volledig voorbij wordt gegaan aan de markt die voor kunstwerken bestaat. Zo zijn de prijzen die musea voor hun aankopen betalen nu 'bijna allemaal fake' zoals Jaap Guldemond, conservator collectie in het Van Abbemuseum dat heeft genoemd. In een interview rechtvaardigt hij dit met het argument: “er is geen markt voor die kunst”.

Als het aan het ministerie ligt, komt die markt er ook niet. Volgens het huidige beleid zouden subsidies voor individuele, door 'deskundigen' uitverkoren kunstenaars de beste manier zijn om pril, ontluikend talent tijdelijk de bescherming te geven die nodig is om door te kunnen breken. Maar van dat doorbreken komt in veel gevallen weinig terecht. Zo meldt het jaarverslag 1995 van het Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst, dat jaarlijks 38 miljoen gulden verdeelt onder zo'n 1500 kunstenaars, dat de afbouw van deze subsidies 'problematisch' is, “omdat kunstenaars naarmate ze ouder worden eerder meer dan minder behoefte aan subsidiëring hebben”.

De overheid is zo de exclusieve financier van een hobbyclub met 1500 tot 2000 leden geworden, met daaromheen een nog groter werkverschaffings-project voor kunsthistorici en beleidsambtenaren, die al die kunstenaars moeten helpen selecteren en exposeren in een reeks musea en allerlei andere gesubsidieerde 'kunstruimtes'. Het gevolg is dat de overheid zo een kunstmatige tweedeling onder kunstenaars creëert. Een klein deel van hen mag vertoeven in een reservaat waar een gemiddelde jaaromzet van bijna 80.000 gulden kan worden genoten. Daarbuiten begint meteen de woestijn, en moet men het redden met nog geen 9000 gulden.

Als dat alles nu tot een grotere belangstelling voor kunst zou leiden, zou dit misschien nog te rechtvaardigen zijn. Maar dat is niet het geval. Volgens cijfers van het Sociaal en Cultureel Planbureau daalde het aantal museumbezoekers tussen 1990 en 1995 tot het niveau van 1983. Vooral het bezoek door jongeren tot 34 jaar nam dramatisch af, ondanks hun even opvallend gestegen opleidingsniveau.

Ook op andere gebieden blijkt eerder sprake van een impasse dan van bloei. In 1995 stelt kunstwetenschapper Jan van Adrichem op een vergadering van de directeuren van Nederlands belangrijkste moderne musea terecht dat er “bedroevend weinig openbare discussie plaatsvindt over museumbeleid”. En alle pogingen van de overheid om Nederlandse kunst in het buitenland te promoten, waarbij al veertig jaar niet op een cent werd gekeken, blijken volgens de Mondriaan Stichting 'mislukt'.

Toch besluiten de aanwezigen op de vergadering dat jaar nog enthousiast tot de oprichting van een nieuw promotiefonds. Daaruit kunnen Nederlandse museumdirecteuren geld putten om aankopen door buitenlandse collega's van Nederlandse kunst te bekostigen, op voorwaarde dat die dan een expositie van de kunstenaar in kwestie maken. Dit 'please buy our art, it costs nothing'-fonds komt weer onder beheer van de Mondriaan Stichting. Directeur Rudi Fuchs van het Stedelijk Museum in Amsterdam werpt één vraag op: “Ooit kostte bij het Ministerie van WVC één gulden subsidie 37 gulden aan kosten en overhead. Is die verhouding nu beter of slechter geworden?” Hij krijgt geen antwoord.

Natuurlijk kunnen we besluiten dat dit precies is wat we willen. Dat onze angst voor en aversie tegen een vrije kunstmarkt zo groot is, dat we maar afzien van de originele artistieke ideeën en het professionele kunstklimaat waar we sommige andere landen zo om benijden. Maar dan moeten we ook consequent zijn, en onze kunstenaars niet langer uitzenden naar landen waar niemand ze serieus neemt. En we moeten ze ook niet meer lastigvallen met vage politieke aansporingen tot een 'andere' of 'zakelijker' mentaliteit. Want in de huidige verhoudingen is dat vragen om het onmogelijke.

In dat geval moeten we ook de sociale consequenties accepteren van een beleid dat een geweldige inkomensongelijkheid veroorzaakt tussen wel en niet officieel erkende beeldende kunstenaars.

Het is opvallend dat Melle Daamen in zijn bijdrage enkele landen noemt waar de overheid zich veel minder met cultuur bemoeit: het Verenigd Koninkrijk, België en de Verenigde Staten. Samen met Duitsland, met zijn vele particuliere verzamelaars en zijn gematigde subsidiebeleid, zijn dit nu precies de landen waar de belangrijkste artistieke visies en meest gerenommeerde eigentijdse beeldende kunst van nu vandaan komen.

Waarom besluiten we niet dat ook wij willen wat we in die landen zo bewonderen: vitale eigentijdse kunstenaars en kunst, met overlevingskansen buiten het subsidiecircuit en met een betrokken publiek? De kwaliteit van kunst, zo blijkt, is evenredig aan de mate waarin zij haar lot in eigen hand neemt. Verbetering is daarom alleen mogelijk door een drastische verandering in de manier waarop de overheid zich met die kunst bemoeit. Aan haar rol als kwalitatief oordelende instantie moet rigoureus een eind komen. Dat betekent dat de overheid moet ophouden met het steunen van individuele, op arbitraire en vrijblijvende 'kwaliteitscriteria' geselecteerde kunstenaars.

Met het afschaffen van individuele-steunregelingen en het bijbehorende circus van fondsen, besloten commissies, subsidies, stipendia, beurzen, opdrachten en aankopen zou veel geld bespaard kunnen worden. Maar daar moet het niet om begonnen zijn. Een werkelijk radicale reddingsoperatie voor de beeldende kunst kost in eerste instantie misschien wel méér in plaats van minder geld. Voor een rijk land mag dat geen hindernis zijn. Integendeel.

De beeldende kunst zou haar vitaliteit kunnen terugwinnen door steun te zoeken bij diegenen die haar persoonlijk waarderen, en niet door anonieme overheids-sponsoring. Als neutrale, voorwaarden-scheppende instantie ter verbreding van het kunstpubliek blijft er voor de overheid ook dan nog voldoende plaats. Ze kan bijvoorbeeld werken aan fiscale of financiële maatregelen ter stimulering van particuliere kunstaankoop die de eigentijdse kunst daar kan helpen brengen waar ze zijn moet: bij een persoonlijk betrokken, eigen publiek.

Ook de Nederlandse musea hebben veel te winnen bij het betrekken van een breder publiek bij hedendaagse kunst. Ze moeten daartoe hun ambitie als 'voorlopers' laten varen, en zich concentreren op hun ware missie: het tonen en toelichten van wat op eigen kracht komt bovendrijven, in de particuliere wisselwerking tussen kunstenaars, galeries en verzamelaars. De musea zouden dan ook weer meer tijd kunnen besteden aan het koesteren van hun relaties met particuliere verzamelaars. Want in hún bereidheid tot sponsoring en schenking ligt de hoop op het weer tot stand komen van wereldcollecties. De overheid kan in dat geval bijspringen, door een gunstiger fiscale bejegening van particuliere schenkingen. De huidige politiek van sporadisch aankopen van peperduur werk van gerenommeerde buitenlandse kunstenaars leidt nu hooguit tot provinciale 'We Too'-collecties.

Als kunstenaars eenmaal niet meer worden opgeleid voor een loopbaan in het subsidiecircuit, wacht ten slotte ook onze kunstacademies een nieuwe, uitdagende taak. Zij kunnen hun leerlingen voorbereiden op het overleven in de echte wereld, net zoals dat bij andere opleidingen gebeurt.