'Rode Hilde' Benjamin stond aan beide kanten van de macht; Een duidelijk beeld van de vijand

'Rode Hilde' Benjamin, een van de eerste vrouwelijke advocaten in Duitsland, zette zich na de oorlog met hart en ziel in voor de linkse zaak. In de DDR werd ze rechter en minister van Justitie met een reputatie voor onver- biddelijkheid. Rechtshistorica Andrea Feth heeft een biografie geschreven over één van de meest verguisde figuren uit het voormalige Oost-Duitsland. Op het laatst verkeerde ze in een geestelijk niemandsland.

Andrea Feth: Hilde Benjamin - Eine Biografie. Uitg. Berlin Verlag/Arno Spitz. 278 blz. ƒ56,30.

Op 22 september 1930 begon in de Berlijnse wijk Moabit een historisch proces. Terecht stond een groep communisten die ervan werd verdacht in koelen bloede de SA-Sturmführer Horst Wessel te hebben vermoord. Wessel, die later in heel Europa bekend zou worden door het naar hem genoemde lied, woonde in de roerige Weimar-jaren op kamers bij een communistische weduwe. Daar was een vrouw, volgens de communistische pers een 'voormalige prostituée', bij hem komen wonen. De weduwe vond dat maar niets en beklaagde zich er in het partijgebouw over, dat Wessel haar geen extra huur wilde betalen voor zijn vriendin. Enkele arbeiders boden meteen aan orde op zaken te stellen. Met pistolen gewapend trokken ze naar de woning van de weduwe, waar Horst Wessel uit naam van het socialistische rechtvaardigheidsgevoel een kogel door zijn hoofd kreeg. Zes weken later overleed hij in een ziekenhuis.

Het proces werd een publieke gebeurtenis van de eerste orde, waarvan zowel links als rechts de vruchten probeerde te plukken. Rechts hoopte ermee nieuw bewijs van het communistische gevaar in handen te krijgen, links kon die gebruiken als voorbeeld van spontane, revolutionaire gerechtigheid. “Als wij iemand een proletarische aframmeling geven”, werd tijdens het proces uit de mond van een van de daders genoteerd, “dan slaan we net zo lang tot hij naar het ziekenhuis moet worden gebracht.”

Advocaat van de weduwe, die wegens medeplichtigheid tot anderhalf jaar werd veroordeeld, was Hilde Benjamin (1902-1989), bijgenaamd 'de rode Hilde'. Sinds haar optreden in de Horst Wessel-zaak is het over haar in Duitsland nooit meer helemaal stil geworden. Uit de biografie die rechtshistorica Andrea Feth dit jaar over haar heeft gepubliceerd, blijkt dat ze zo ongeveer alles mee had om controverses te veroorzaken.

Hilde Benjamin, née Lange, was niet alleen een van de eerste vrouwelijke advocaten van Duitsland, ze was ook een van de eerste advocaten die zich met hart en ziel voor de linkse beweging inzetten. Strafprocessen werden daarbij als politiek strijdmiddel benut. Zo moeten er tijdens het Horst Wesselproces zoveel linkse theorieën naar voren zijn gebracht dat de rechters zich in hun vonnis afvroegen of de advocaten niet méér oog hadden gehad voor hun eigen ideologie dan voor de belangen van de verdachten.

Benjamin, die als meisje geïnspireerd werd door de communiste Rosa Luxemburg, maakte in die dagen deel uit van het activistisch rechtscollectief 'Rote Hilfe' dat zich specialiseerde in het verdedigen van stakers en demonstranten. In de jaren zestig en zeventig zou dit collectief in Nederland en Duitsland tot voorbeeld strekken voor een nieuwe generatie activistische advocaten, die politieke pamfletten opstelden en de linkse goegemeente gevraagd en ongevraagd juridische adviezen gaf. Een Herman Pieter Bakker Schut of Ties Prakken avant la date.

Het opmerkelijke aan de figuur van Hilde Benjamin - waarin ze zich van mensen als Bakker Schut onderscheidt - is echter dat ze in haar latere leven plotseling aan de andere kant van de macht is komen te staan. Na de nazi-tijd, die ze zo onopvallend mogelijk in het huis van haar ouders doorbracht, kreeg ze als communiste van het eerste uur van de Sovjet-bezettingsmacht in 1945 de taak de oude, besmette rechterlijke macht te zuiveren en geleidelijk om te vormen tot een communistisch machtsmiddel. Gekoesterd door Moskou-getrouwe communisten werd haar naam in de jonge Bondsrepubliek het symbool van het 'onrechtssysteem' dat in de DDR zou heersen.

Ze deed haar werk dan ook met grote overgave. En maakte carrière. Na een paar jaar werd ze vice-president van het Hooggerechtshof dat doodvonnissen en lange tuchthuisstraffen zou uitspreken, wat haar in het Westen de bijnaam 'de rode guillotine' opleverde. Onder Walter Ulbricht bracht ze het ten slotte tot minister van Justitie. In die functie was ze verantwoordelijk voor de consolidatie van de partijdige - communistische - rechtspraak. Daarnaast bereidde ze een geheel nieuw wetboek van strafrecht voor dat definitief het vriend- en vijanddenken in het recht verankerde. Naast lichte overtreders die snel weer in de maatschappij opgenomen konden worden, onderscheidde het systeem voortaan 'vijanden van de socialistische republiek' voor wie geen straf hard genoeg kon zijn.

Onrechtsstaat

Toen in de jaren negentig in het verenigde Duitsland de strijd over de 'onrechtsstaat DDR' losbarstte, richtte veel boosheid zich - niet geheel ten onrechte - op de in 1989 overleden juriste. Samen met de muurbouwer Walter Ulbricht en Stasi-chef Mielke werd ze in korte tijd één van de meest verguisde figuren uit het voormalige Oost-Duitsland. In de vaak heftige debatten werd haar optreden in de politieke processen van de jaren vijftig zelfs vergeleken met dat van de president van het nazistische Volksgerichtshof Roland Freisler.

Voor de jonge (West-)Duitse rechtshistorica Andrea Feth was deze 'demonisering', zoals zij het noemt, de directe aanleiding om haar biografie te schrijven, waarop ze vorig jaar aan de Freie Universität in Berlijn promoveerde. “Ik wilde een aantal feiten over haar leven en werk bijeen brengen. Ik was in de gelegenheid om de DDR-dossiers die tot voor kort gesloten waren te bestuderen en heb collega's, vrienden en familieleden van haar bezocht.”

Feths toon in het boek is afstandelijk; zij torst geen erfenis van de Koude Oorlog met zich mee. Hoewel ze er geen moment op uit is om het communistische rechtssysteem te verdedigen, laat ze uitvoerig zien hoe het werkte en welke rol Benjamin daarin speelde. Aan de hand van bandopnamen, protocollen van rechtszittingen en gesprekken met getuigen ontdekte ze dat Benjamin nooit de schreeuwende heks is geweest die haar critici van haar hebben gemaakt. “Ze bleef juist altijd opvallend rustig tijdens het uitspreken van de vonnissen”, zegt ze. “Ze had een scherpe, autoritaire toon, waarmee ze verdachten behoorlijk kon intimideren, maar ze brulde nooit.”

In de archieven ontdekte Feth ook dat Benjamin, anders dan de rechters in show-processen, zich waarschijnlijk niet erg om het effect van haar optreden bekommerde. Zo wees ze eens een televisieverslaggever verontwaardigd de deur die vroeg of ze een per ongeluk niet op film vastgelegde uitspraak nog eens over wilde doen. Het recht was voor haar een serieuze aangelegenheid.

Verschrikkelijke vrouw

Een van de diepere motieven om aan de biografie te beginnen, vertelt Andrea Feth, was dat Benjamin een van de weinige vrouwelijke juristen was die in de DDR (en daarbuiten) tot een hoge positie zijn doorgedrongen. Wat haar intrigeerde was de vraag of haar sexe een rol heeft gespeeld bij het negatieve beeld van Benjamin dat is ontstaan. “Ze is in de media als een verschrikkelijke vrouw afgeschilderd.” Feth is er van overtuigd dat ze milder zou zijn beoordeeld als ze een man was geweest: “Over de president van het Hooggerechtshof, waar Benjamin vice-president was, is veel minder ophef gemaakt - terwijl ze vaak samen optraden en goed met elkaar bevriend waren. Ook de hoofdaanklager uit de politieke processen die in feite veel harder is opgetreden, is nooit het symbool geworden dat Benjamin was. Kennelijk vindt men dat een fatsoenlijke vrouw geen rechter wordt, zeker niet in zo'n regime.”

Hilde Benjamin - Eine Biografie is geen alomvattende biografie, maar een wetenschappelijke juristenbiografie in de Duitse traditie. Behalve in de epiloog geeft de auteur zich niet over aan speculaties over het karakter en de motieven van haar object. Dat is soms jammer: Benjamins werk als advocate, rechter en wetgever krijgt veel aandacht, maar wie ze was, blijft vaag. Waarschijnlijk was Benjamin in haar latere jaren niet veel meer dan een functionaris: “Als ze maar even kon, werkte ze.” Toch lees je tussen de regels door hoezeer ze wordt geïntrigeerd door de vraag hoe zo'n erudiete vrouw met zo'n brede culturele belangstelling zo lang in het van plichten en gehoorzaamheid aan elkaar hangende Oostduitse partijapparaat een rol kon spelen. “Inderdaad wordt ze voor mij daardoor, ook los van de DDR, een aparte figuur”, geeft ze toe. “Ze was zo intelligent. Ze had toch moeten zien dat er iets niet klopte in de DDR.”

Hilde Benjamin was immers afkomstig uit een goed-Duitse, door en door burgerlijke familie. Haar vader was procuratiehouder bij het Scheidemandel-concern dat voor de oorlog groot werd in de beenderlijm; hij nam plichtsgetrouw als Feldwebel aan de Eerste Wereldoorlog deel. Hilde kreeg, wat voor vrouwen vrij uitzonderlijk was, een gedegen academische opleiding. En op haar veertiende sloot ze zich - net als haar latere man, de communistische arts Georg Benjamin en haar zwager, de schrijver Walter Benjamin - bij de idealistische Duitse Wandervogelbeweging aan. Tot het eind van haar leven in 1989 heeft ze niet meer gerookt of gedronken.

De belangrijkste verklaring die Feth voor Benjamins volgzaamheid weet te geven is dat ze door dik en dun trouw wilde blijven aan haar in de oorlog in Mauthausen omgekomen man. Op zichzelf is het curieus dat één van de weinige vrouwelijke DDR-notabelen voornamelijk carrière maakt omwille van haar man. Toch is de hypothese aannemelijk. Benjamins man, de communistische arts Georg Benjamin - een bescheiden idool uit de hoogtijdagen van de DDR, naar wie verschillende instellingen waren vernoemd - heeft naar alle waarschijnlikheid zijn leven voor de ondergrondse KPD gegeven. Ondanks enkele waarschuwingen bleef hij na de machtsovername in 1933 toch in de communistische partij actief. Toen hij in 1936 voor de tweede keer werd gearresteerd, kon een proces niet langer uitblijven. Hij werd veroordeeld voor zijn illegale activiteiten en verbleef de rest van zijn leven, tot zijn dood in 1942, in tuchthuizen, werkkampen en concentratiekampen. “Zijn dood moet voor Hilde Benjamin traumatisch zijn geweest”, zegt Feth. Als commmunistische jood hoefde hij zich weinig illusies te maken. In de briefjes die hij uit zijn gevangenschap aan zijn vrouw en zijn kort voor zijn eerste arrestatie geboren zoontje schrijft, geeft hij hun onophoudelijk laatste raadgevingen.

Hilde Benjamin, die volgens Feth nooit meer een andere minnaar heeft gehad, heeft zijn opoffering voor het communisme waarschijnlijk nooit kunnen of willen verloochenen. “Haar blokkade was haar man.” In het boek Georg Benjamin dat ze later over hem heeft geschreven, beschrijft Hilde hem liefdevol als een gedreven en vaderlijke figuur. Voor zijn zoontje Michael - 'Mischa' - voegt hij in elke brief die hij uit de gevangenis schrijft een kort verhaaltje bij over dieren of hij haalt voor hem herinneringen op aan zijn jeugdjaren. Hij moet hebben aangevoeld dat dit het enige was dat hij hem in de tijd die hem nog restte, mee kon geven.

Kleine boekjes

Hildes zoon Michael woont nog steeds in een zijstraat van de (Oost-)Berlijnse Majakovski Ring waar zijn moeder acht jaar geleden stierf. Hij is een gezette, levendige man die zich na zijn ontslag aan de Hogeschool in Babelsberg vol goede moed als vrij gevestigd schrijver afficheert. Aan de eerste, meest dramatische periode van zijn leven, toen zijn vader gevangen zat, heeft hij, naar hij zegt, bijna geen directe herinneringen overgehouden. “Wel dat de brieven van mijn vader voor mij altijd heel belangrijk zijn geweest.” Hij kan zich maar één bezoek aan de gevangenis herinneren. “De brieffragmenten die voor mij waren bestemd werden door mijn moeder altijd vlijtig in blokletters overgezet en daarna tot kleine boekjes gemaakt. Die las ik dan door en door.”

Aanvankelijk vreesde hij dat Feths biografe zich niet zou kunnen onttrekken aan de hetze tegen zijn moeder die naar zijn idee nu tegen de DDR wordt gevoerd, maar dat valt reuze mee. “Mevrouw Feth is tot mijn aangename verrassing non-conformist gebleven.” Zijn aanvankelijke angst maakte dat hij de biografe destijds inzage weigerde in het privé-archief van zijn moeder, dat in de kelder ligt. Wel wilde hij enkele gesprekken met Feth voeren - maar voor een afgewogen oordeel over haar persoon was het nog te vroeg, vond hij. “Alles is nog zo vers.”

Het doet hem in ieder geval goed dat Feth zich in haar boek verzet tegen de vergelijkingen die zijn gemaakt tussen zijn moeder en sommige nazi-rechters. Zo wijst ze erop dat alleen al de hoogtes van de straffen die onder de beide regimes zijn uitgesproken, onvergelijkbaar zijn. Hilde Benjamin velde als vice-president van het Hooggerechtshof twee doodvonnissen, terwijl de eerste senaat van het nazistische Volksgerichtshof onder Freisler tussen 1942 en 1944 2.300 mensen ter dood veroordeelde.

In de oorlogsjaren leefde Michael samen met zijn moeder in een soort schemertoestand bij zijn (niet-joodse) grootouders in het westelijk stadsdeel. “Met mijn naam en mijn achtergrond wist je donders goed wat je allemaal niet zeggen mocht tegen mensen op straat.” Die ervaring moet zijn moeder hebben gehard. “Je moet niet vergeten dat ze vanaf de jaren dertig heeft meegemaakt hoe het nationaal-socialisme oprukte. Het maakte haar later heel verbitterd als ze zag hoe de mensen die daaraan meewerkten na de oorlog in de Bondsrepubliek op hun plaats bleven.”

Dubbele bevrijding

De Duitse nederlaag kwam voor hem persoonlijk als een dubbele bevrijding. Plotseling hoefden ze zich niet meer druk te maken over de vraag of hij wel of niet een jood was. In 1948, na de zogeheten Wahrenreform, toen het Oostduitse geld werd ingevoerd, werd het voor justitiefunctionarissen in de Sovjetzone minder gewenst om nog in West-Berlijn te blijven wonen. Samen met zijn moeder verhuisde hij naar het oostelijke stadsdeel. “Het illegaal omwisselen van oost- in westmarken kon ze zich in haar positie niet permitteren.” Na een paar jaar in een “gewoon huis” trokken moeder en zoon in 1951 naar de villa aan de Majakovski Ring. “Toen de politieke processen begonnen, waarbij mijn moeder betrokken was, begon men bezorgd over onze veiligheid te worden. Misschien ook wel terecht.”

Het huis lag indertijd in een zorgvuldig van de buitenwereld afgeschermd gebied, aan de rand van de regeringswijk Pankow. In alle huizen rondom woonden andere leden van de partijtop. Bij de ingang van de straat stond een politiepost. Nu de bewaking is verdwenen, zou het een woning van een Nederlandse rechter of minister uit de jaren vijftig kunnen zijn. Huize Benjamin is een enigszins rommelig, middelgroot vooroorlogs huis, met veel houten lambrizeringen en een vervallen tuin. Voor de in licht hout uitgevoerde piano in de zitkamer staan braaf twee stoelen opgesteld. Quatre mains!

Als verklaring voor de ondergang van de DDR is aangevoerd dat het partijkader het contact met de bevolking was kwijtgeraakt. Benjamin bestrijdt dat. “Mijn moeder kon goed met iedereen omgaan. Toen ze minister van Justitie was, hield ze elke week een spreekuur, waar je gewoon binnen kon komen.” Hij loopt naar een plafondhoge kast in haar voormalige werkkamer, die nog altijd vol met haar ordners staat, en laat een paar licht vergeelde brieven zien. “Ze correspondeerde intensief met allerlei arbeiderscollectieven over problemen op hun werk.”

Hij is blij dat Feth in haar biografie ook op enkele meer progressieve kanten van zijn moeder ingaat. Zo laat ze zien hoe de DDR ondanks het repressieve systeem, dank zij Hilde Benjamin een vrij modern familierecht kende. De tolerantie die er in de DDR tegenover homoseksuelen en abortus bestond, is volgens de biografe eveneens voor een groot deel aan haar te danken. Hilde sloot daarin aan bij de publicaties van haar man voor de oorlog. “Ze heeft zich ook altijd voor vrouwen ingezet en zorgde ervoor dat ze, als ze goed waren, zo veel mogelijk in de justitie werden opgenomen. Op het gebied van de gelijke rechten heeft ze eigenlijk heel veel bereikt, wat niet past in het negatieve beeld dat van haar in het Westen in ontstaan.”

Vreemd element

We kunnen ons nu gaan afvragen, zegt biografe Andrea Feth later, wat wij gedaan zouden hebben als we in Hilde Benjamins positie waren geweest. Feth zelf is sinds tien jaar toegewijd SPD-lid - sinds kort is ze fractiemedewerker van deze partij in de deelstaat Brandenburg - en haar onderzoek heeft haar, naar ze zegt, geleerd hoe belangrijk het is dat er bij juridische hervormingen een draagvlak is. “Recht moet altijd voor anderen controleerbaar zijn. Je moet proberen tolerant tegenover andersdenkenden te zijn.”

In haar biografie schrijft Feth dat Hilde vanwege haar afkomst, haar opleiding en haar liefde voor klassieke muziek, waarschijnlijk altijd een vreemd element tussen de naoorlogse communisten is gebleven. Haar oude milieu had ze afgezworen - ze onderhield geen contact meer met haar familie in West-Duitsland - maar het echte centrum van de nieuwe machthebbers zoals het Politbureau was ook voor haar afgesneden. Ze verkeerde daardoor in een geestelijk niemandsland. “Hilde Benjamin,” zegt Feth, “had niet de juiste stalgeur om zich in de DDR op haar gemak te voelen. Daardoor was ze zo compromisloos. Ze had een andere afkomst dan de mensen met een arbeidersachtergrond om haar heen. Dat heeft ze door extra hardheid en trouw aan de partijlijn willen compenseren.”

Deze onverzettelijkheid, gelooft Feth, nam niet alleen voor delen van de bevolking maar ook voor de leiding van de DDR op den duur griezelige vormen aan. Dat zou er ook de reden van zijn geweest dat ze in 1967, in de nieuwe ontspanningspolitiek van de DDR, als minister van Justitie onhoudbaar werd. Benjamin bleef altijd de heilig overtuigde communiste. “Ze had abstracte doeleinden waarvoor ze, naar haar idee, elk middel mocht inzetten, of dat nu doodvonnissen of lange tuchthuisstraffen waren. Ze had tot haar dood een duidelijk beeld van de vijand. Ze wist precies wat goed en fout was, en als mensen zich niet aan dat systeem wilden aanpassen, bleef ze onverbiddellijk.”

Zoon Michael: “Mijn moeder liet nooit haar twijfels merken, maar dat wil nog niet zeggen dat ze ze niet had. Ze was geen fanaticus. Mijn moeder was niet iemand die zich aanpaste, maar ze was daarmee nog wel een denkend mens.”