Poederdot

Ze woonde niet aan het Noord- maar aan het Oosteinde en niet in Den Haag maar in Voorburg. Haar werkpaleis was een vervallen maar majestueuze villa en zijzelf was in de jaren vijftig en zestig de plaatselijke koningin. Iedere dag toog ze op haar opoefiets naar de residentie, haar felroze gepoederde gezicht getooid met onwaarschijnlijke hoeden, het overjarige lijf gehuld in lange, buitenissige gewaden. Wie haar op haar rijtour van het Oosteinde naar het Binnenhof en vice versa tegenkwam en haar begroette met de woorden 'Dag koningin', kreeg een gulden, een kindervermogen.

Iedereen noemde haar Poederdot en niet - zoals ze, meen ik, in een van Helga Ruebsamens bundels voorkomt - Poederdons. Maar goed, Ruebsamen schrijft fictie en Poederdot heeft echt bestaan. Ze was een schokkende verschijning in een tijd dat er in Voorburg maar één neger woonde (de oogarts), hippies nog niet waren uitgevonden en de Beatles nog niet bestonden. Elk jaar op de Derde Dinsdag in september denk ik aan Poederdot. Aan m'n schrik toen ik voor het eerst 'dag koningin' tegen haar zei en door de lagen roze schmink haar pikzwarte snorharen zag schemeren.

Ook deze week, gekluisterd aan de televisie om de koningin van het Noordeinde de troonrede te horen uitspreken, zag ik haar weer voor me. Waar is Poederdot als je haar nodig hebt? Het was te saai, het ging te vlekkeloos dit jaar, Beatrix had de moeder van alle hoeden op, de troonrede ging bijna zonder haperen en het oranjezonnetje deed de rest. Innig tevreden kopte De Telegraaf woensdag: 'Na hooghartig hofvertoon in Engeland die kneuterige Nederlandse gezelligheid. Oranje, een verademing!'

Nu ben ik geen liefhebber van 'kneuterige Nederlandse gezelligheid' en heb ik altijd wel iets gezien in de republikeinse traditie van de PSP (en van de vroege SDAP) die op Prinsjesdag niet wenste te verschijnen in de Ridderzaal. Maar zoiets moet dan wel op principiële gronden gebeuren en niet als pr-activiteit zoals de SP dinsdag ondernam. GroenLinks, dat de republiek uit het verkiezingsprogramma heeft geschrapt en wel verscheen in de Ridderzaal, vond het ook maar niets van de SP. 'Wij kiezen er niet voor de aandacht op ons zelf te richten door weg te blijven. Onze kritiek komt vanmiddag', zei fractievoorzitter Rosenmöller.

Nou dat hebben we geweten! Niet de aandacht op zichzelf richten? Rosenmöller was in de Kamer niet van de interruptiemicrofoon weg te slaan. Wat hoort die man zichzelf graag spreken. Niet één, niet twee, maar tientallen keren konden we vernemen: 'Mijnheer de voorzitter, laatste punt mijnerzijds inderdaad concluderend'. Gevolgd door een niet aflatend gejengel.

Maar dit terzijde, want goedbeschouwd heeft Rosenmöller gelijk: het gaat tenslotte om de Algemene Beschouwingen en niet om het ritueel. Toch zou ik geen jaar de kans willen missen om te kijken naar dat ritueel: de rijtour, het binnenschrijden, de troonrede, de scène op het bordes. En dat komt allemaal door Poederdot.

Eind jaren vijftig, ik moet een jaar of acht geweest zijn, hadden wij thuis kaartjes gekregen voor de tribunes die ter gelegenheid van Prinsjesdag op het Binnenhof waren opgesteld. Een gelovige was ik nog, niet meer in Sinterklaas, maar wel degelijk in de koningin. Hoe langer het wachten op de Gouden Koets duurde, hoe onverdraaglijker de spanning werd. Totdat er in de uiterste hoek van het Binnenhof een beschaafd geproest opklonk dat langzaamaan tot luidruchtig schateren aanzwol.

Hoe ze het voor elkaar heeft gekregen is nooit opgehelderd, maar - ver voor de Gouden Koets uit - gleed Poederdot, haar hoed was de grootmoeder aller hoeden, op haar koninklijke fiets het Binnenhof op, haar hondje achterop. Eén gehandschoende hand hield ze aan haar stuur, met de andere wuifde ze minzaam glimlachend naar het beschaafde Haagse, maar voor deze gelegenheid, uitzinnige publiek. Dag koningin!

Hoe Juliana er die dag uitzag ben ik vergeten.

Aan de super-royalist Peter Brusse vroeg ik onlangs me toch eens uit te leggen hoe een met rede begiftigd mens in kan stemmen met het bizarre anachronisme van erfopvolging in het algemeen en de monarchie in het bijzonder. 'Sommige dingen zijn zo absurd, die vallen buiten iedere ratio', antwoordde hij. En zo is het ook: eigenlijk was dat het, wat Poederdot me al tientallen jaren eerder had laten zien.

Voor mij is zij daarom de verpersoonlijking gebleven van de monarchale gedachte, Anna Maria Petronella van der Lubbe. Want zo heette Poederdot, de bijnaam waaronder ze nog altijd te vinden is in het gemeentearchief van Voorburg. Daar leerde ik over Anna van der Lubbe dat ze in 1899 in Den Haag is geboren. Op haar zeventiende moest ze van haar steenrijke ouders trouwen met de bijna twee keer zo oude operazanger Quirinus van Rijn, die haar echter na een teleurstellende huwelijksnacht verliet en later van haar scheidde. Anna wilde ook een zangcarrière. Zowel in Voorburg, waar ze inmiddels in het huis van haar vader, Oosteinde 97, woonde, als in Den Haag gaf ze zangavonden en om de pers van te voren gunstig te stemmen werden de journalisten niet alleen voor haar recital, maar ook voor een diner uitgenodigd.

De reden waarom Poederdot zich altijd zo extravagant uitdoste, schijnt te zijn dat ze hoopte op een ontmoeting met een theatermanager die haar weer zou laten optreden. Om diezelfde reden gaf ze aan een - met de noorderzon vertrokken - Voorburger die beloofde een grammofoonplaat van haar te zullen maken twintigduizend gulden.

De koningin van het Oosteinde met haar lange jurken, bontjassen, voiles, hoeden en zonnenbrillen, blijkt in 1979 te zijn opgenomen in de psychiatrische inrichting Schakenbosch in Leidschendam waar ze op 21 november 1985 overleed.

Dinsdag dacht ik aan Poederdot en van harte spreek ik de wens uit dat velen met mij om zegen voor haar zullen bidden.