Opsporing verzocht

DE VEELVOORKOMENDE criminaliteit is sinds twee jaar onmiskenbaar aan het dalen, meldt minister Sorgdrager (Justitie) in de toelichting op haar begroting. De daling betreft niet alleen de kleine criminaliteit, maar ook woninginbraken, roofovervallen en autodiefstallen. Uit enquêtes onder de bevolking blijkt dat de daling reëel is en niet berust op een registratie-effect.

Toch zijn de politieministers Sorgdrager en Dijkstal (Binnenlandse Zaken) ontevreden. Het ophelderingspercentage van delicten door de politie “is over de hele linie veel te laag”. Ze begrijpen wel dat de politie afgelopen jaren erg druk is geweest met de samenvoeging van rijks- en gemeentepolitie tot nieuwe regiokorpsen. Een tijdelijke daling van de ophelderingscijfers was dan ook nog wel te accepteren. Maar eens houdt dat op. Nu dus.

Het verschijnsel is intussen helemaal niet tijdelijk. Door de jaren heen laten de ophelderingscijfers een vrije val zien, van 51,3 procent in 1965 via 23,1 procent tien jaar geleden tot 14 procent vorig jaar. Waarom is er al niet veel eerder aan de bel getrokken? Een deel van het antwoord is dat het ophelderingspercentage een notoir onbetrouwbare graadmeter voor de kwaliteit van het politiewerk is. Zelfs de primaire voorwaarde van een redelijk betrouwbare basisregistratie bij de politie is niet vervuld. Ook houdt het percentage geen rekening met de zogeheten “sneeuwbalmethode” die in de opsporing vaak wordt gehanteerd; wanneer een verdachte een hele serie misdrijven bekent, worden slechts een paar goed-bewijsbare zaken uitgekozen om op door te gaan. Alleen die tellen mee in de statistieken.

Belangrijker is dat ophelderingspercentages niets zeggen over de werkelijke omvang van de criminaliteit, die mede wordt bepaald door de delicten die niet ter kennis van de politie komen. Deze omvang kan worden gedrukt met behulp van preventieve middelen - waar de Nederlandse politie de laatste jaren nu net werk van begint te maken. De resultaten daarvan zijn per definitie niet terug te vinden in de opsporingspercentages.

TOCH HEEFT het politie-establishment weinig reden om bezeerd te reageren op de kritiek van Sorgdrager en Dijkstal. Er is namelijk wel degelijk twijfel op zijn plaats over de kwaliteit van het politie-apparaat. Volgens peilingen is minder dan de helft van de Nederlanders te spreken over de aanpak van de criminaliteit door de politie. Europese landen als Oostenrijk, Finland, Zwitserland en Frankrijk halen tenminste nog 55 procent, Canada zelfs 80 procent.

Dat er werkelijk iets wringt, blijkt uit de zogeheten politiemonitor, een bevolkingsonderzoek naar criminaliteit, onveiligheidsgevoelens en het functioneren van de politie. Onlangs werd de derde aflevering gepubliceerd. Vooral over de beschikbaarheid van de politie zijn de Nederlanders niet erg positief. Deze factor houdt rechtstreeks verband met de reorganisatie van de politie. Het is inderdaad hoog tijd dat de politie eens begint met de beloften van die reorganisatie waar te maken in plaats van zich er voortdurend achter te verschuilen.