Mulder en Van Tijn (1)

In haar column 'Van de week' (Z 13 sept.) schrijft Elsbeth Etty dat ik in HP/De Tijd van dezelfde week mijn vergramdheid op wijlen Vrij Nederland-journalist Joop van Tijn uitleef “met het verhaal dat Van Tijn helemaal niet zo eerlijk en onafhankelijk was, dat hij vriendjes de hand boven het hoofd hield en om die reden stukken uit de krant weerde”.

Zij vindt dat ik dat eerder had moeten opschrijven. “Alleen al omdat Van Tijn dan iets had kunnen terugzeggen.”

Blijkbaar kent Elsbeth Etty een ongeschreven wet die mij gebiedt mijn bezwaren tegen het gedrag van een medeburger onverwijld aan de grote klok te hangen. Ik ken die wet niet. Dat er ook nog een aanleiding moet zijn om die bezwaren op te schrijven, bijvoorbeeld een jubileum, een afscheid, een overlijden of een prijsuitreiking, laat Etty buiten beschouwing. Revolutionair vind ik haar opvatting dat ik onaangename informatie over een overledene eigenlijk niet mag opschrijven omdat de betrokkene niets meer kan terugzeggen. Als deze lex-Etty inderdaad wordt aangenomen, komt 99 procent van de geschiedschrijving in Nederland tot stilstand.

Hoewel ik haar redenering dus in algemene zin als onzin van de hand wijs, kan ik haar niettemin op één punt geruststellen. Ook bij leven en welzijn van Joop van Tijn heb ik mij in geschrifte geuit over zijn kwalijke kanten - en die van Rinus Ferdinandusse, zijn alter ego. Dat heb ik gedaan in het Algemeen Dagblad, december 1986; in de Volkskrant, januari 1987; in het boekje 'De val van Vrij Nederland' van Dirk van Delft, Theodor Holman, Lucas Ligtenberg en Bob Polak, september 1987; in Z van NRC Handelsblad (!), juni 1988; in de Haagse Post, juni 1988; in De Journalist, september 1991, november 1992, december 1994 en december 1996. Hoe vaak moet ik iets opschrijven voordat Elsbeth Etty het gaat lezen?