Monumentenzorg

Doe het wanneer je er aan denkt!' zegt Christopher Lloyd, stel tuinwerkzaamheden niet uit tot later. Zo kwam het dat ik op de heetste dag van het jaar de verschrikkelijke wildernis van oude dode takken te lijf ging, veroorzaakt door de klimroos Paul's Himalayan Musk Rambler in een oude appelboom.

Het was misschien de onaangenaamste tuinklus die ik ooit heb uitgevoerd: deze roos is gekweekt om buffels of jakken tegen te houden, ik zat vol bloed en schrammen toen het geklaard was. Maar onder de boom was het wel een stuk lichter geworden. Vreemd hoe snel planten die je zelf geplant hebt de status van onaantastbaar monument aannemen: ze zijn er dan eenvoudig, ze mogen niet meer veranderd of weggehaald.

Daarna, overmoedig geworden door het succes met de rambler, haalde ik nog een andere monumentale roos weg, Madame Alfred Carrière. Dat is de fameuze Noordmuurroos, in alle boeken aanbevolen voor moeilijke plekken waar geen andere roos zou gedijen. Wat de boeken er niet bij zeggen is dat er van gedijen in een andere dan strikt technische betekenis geen sprake is; slechts een oog verduisterd door liefde kan in de aanblik van Madame Alfred Carrière, bezig tegen een Noordmuur omhoog te worstelen, iets bekoorlijks ontdekken. Ze gaat inderdaad omhoog, maar, heel verstandig, alleen in de hoop hogerop betere leefomstandigheden te vinden; het gevolg is dat de paar armetierige bloemen die, door hard werk aan het benedeneind, geproduceerd worden helemaal in het topje van de bonenstaak, ver boven het gezichtsveld zitten.

Het is inderdaad waar dat deze roos een doordringende, misschien zelfs wat toiletzeepachtige geur heeft, en ik was diep onder de indruk toen iemand die diep beneden het bloeiende uiteinde zat, de geur opsnoof en onmiddellijk identificeerde. Er is een Madame Alfred Carrière in de Leidse Hortus, een onweerstaanbaar komisch gezicht voor iemand die met haar eigenaardigheden bekend is: ze gaat als een elektriciteitskabel loodrecht omhoog tegen een muur tot de derde verdieping.

Het rooien van een volkomen gezonde plant (dat is tuiniersjargon voor een plant die niet dood is) is een opwekkende ervaring; wat onplezierig is, is er vooraf aan denken. Er is een zeker tijdsverloop nodig voor men tot de daad in staat is, zoals de overbruggingstermijn die je krijgt wanneer je een encyclopedie of een levensverzekering koopt. En dan, plotseling, is het ogenblik aangebroken: als iemand die zonder toestemming van monumentenzorg iets aan een monument wil veranderen sluip je de tuin in en haalt het ding omlaag: vlug, voor iemand je kan tegenhouden.

En daarna komt een nog aangenamer taak: beslissen wat ervoor in de plaats zal komen. Madame Alfred groeide tegen het latwerk dat de buitenkant van het zomerhuis versiert; dit latwerk omlijst een galerijtje waar we 's zomers eten. Wat daar komt moet, in een ideale wereld, bloeien in de periode dat we er daar van kunnen genieten. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan: een heel mooie clematis die op een andere hoek tegen het latwerk opgroeit, Clematis x jouiniana 'Praecox', niet echt een klimplant - meer een spartelplant, als ik het zo mag noemen - begint nu pas te bloeien, nu we al weken geleden van het gebruik van deze buiten-eetkamer hebben moeten afzien. Een andere, C. armandii, bloeit weer te vroeg in het voorjaar. Het ideaal zou zijn een soort kweektuin waar planten voor dit doel worden uitgeprobeerd alvorens de grond in te gaan - of anders het galerijtje beglazen en er het hele jaar door eten.

Ik heb wel een plant die al op verschillende plaatsen geprobeerd is en die ik aarzel helemaal weg te halen, en dat is een soort wingerd, Parthenocissus henryana. Uiteraard een speciaal mooie wingerd: meestal ben ik niet zo weg van ze. Het is een beetje als jezelf dwingen iets te eten dat je niet lekker vindt: het hoeft niet echt, je kunt het ook nalaten, maar je hebt het gevoel dat je verplicht bent het te proberen. En dus kocht ik deze plant - 'snelle groeier.. bladeren van een zacht glanzend groen, met de nerven in zilvergrijs.. verrukkelijke herfstkleur.. geweldig voor een weelderig scherm van groen' (Graham Stuart Thomas) - maar zij heeft het niet naar haar zin. Thomas zegt dat zij 'niet altijd gemakkelijk door de winter is te krijgen'; zij is naar het schijnt minder winterhard dan de meer gangbare P. quinquefolia. Aan de andere kant, dood is ze ook niet. Ik hoop dat er geen euthanasie nodig zal zijn over een paar jaar.

Een andere mogelijkheid voor die plek is de gele clematis 'Bill MacKenzie'. Dat is een hybride van Clematis tibetana (oude naam C. orientalis), geselecteerd uit zaad verzameld door Ludlow en Sherriff tijdens een plantenexpeditie in Tibet en Bhutan in de jaren dertig en veertig, gekweekt door Valerie Finnis in de Waterperry Gardens en genoemd naar de toenmalige hortulanus van de Chelsea Physic Garden. Dat was dus de man met die cowboynaam. Een andere selectie uit dezelfde partij was C. tibetana ssp. vernayi 'Orange Peel'.

'Bill MacKenzie' is aanlokkelijk, met bloemen van precies de juiste kleur geel, niet de wijdopen soort clematis maar de knikkende soort, een beetje zoals C. macropetala. Maar toch, die naam, hoe gewend ik er ook aan ben, of probeer te zijn, ik vind dat die uit de toon valt. Bill MacKenzie klinkt nu eenmaal niet naar een gele clematis met kleine bloemetjes; als je het moet uitspreken heb je de neiging je te verontschuldigen, zoals ik nu nog doe wanneer de kat ter sprake komt die wij Dudley hadden genoemd, en die een vrouwtje bleek te zijn.

De herfst is de beste tijd om clematis te planten. Dat is een typische tuinrubriekzin, die mij regelmatig twee keer per jaar in gedachten komt, één keer in de herfst als het zou moeten, en dan weer in het voorjaar wanneer het juist niet moet. Of er ook een beste tijd is voor het planten van wingerd weet ik niet, maar ik heb het gevoel dat ik voort moet maken en de mijne moet overplanten voor ik het vergeet; anders wordt ook dat zo'n onaantastbaar monument.