Menselijk genoom

De folkloristisch-universitaire bijdrage van prof.dr. Piet Borst onder de titel 'Een universitair dagschrift' (W&O, 13 september) nodigt uit tot commentaar.

Mijn aandacht werd vooral getrokken door het uitvoerige 'zelf-citaat' aan het slot van het artikel. De stelling van de auteur: “Het humane genoomproject zal in tien jaar de geneeskunde ingrijpend veranderen”, lijkt op zichzelf nog wel verdedigbaar. Anders is het echter gesteld met de toonzetting van de toelichting; deze gaat alle perken van redelijkheid te buiten. Ik citeer op mijn beurt: “Als dat genoomproject klaar is, kennen we ook alle menselijke genen. (...) In de jaren die daarop volgen zal van al die genen de functie bepaald worden. (...) Het genetisch paradigma zal een centrale plaats krijgen in de geneeskunde.”

Mijn eerste reactie was dat de auteur hier een ludieke persiflage ten beste gaf. Bij nader inzien moet men echter vrezen dat een en ander serieus bedoeld is, en dat deze zo hoog aangeschreven wetenschapsman is toegetreden tot het fanatieke genus der 'genoom-gnomen'! Wat is er overgebleven van zijn eertijds didactische gedachtengoed inzake het complementaire rollenspel tussen 'Nature & Nurture', waar hij zulke indringende fulminaties heeft gewijd aan verwijsbare en ziekmakende populaire levensgewoonten?

Hopelijk komt deze gezaghebbende pleitbezorger alsnog tot inkeer. Het lijkt mij opportuun hem een recente uitspraak voor te houden, afkomstig van een goed aangeschreven internationale Gideonsbende van pionierende moleculair-genetici (Inoue I., et al. J. Clinical Investigation 1997;99:1786-97): 'While the molecular basis of rare inherited human diseases is being unraveled at a rapid pace, the identification of genetic determinants of common known disorders such as diabetes, hypertension, coronary heart disease, and obesity remains problematic. Lack of phenotypic specificity, multiple causation, genetic heterogeneity, and the mild, insidious onset and progression are variously identified as sources of this difficulty. (...) Molecular variation predisposes individuals through mild, graded functional differences rather than through discrete biological alterations leading to a gain or loss of function.''

Vrij en compact vertaald staat deze relativerende visie haaks op het absolutistische paradigma van Borst, in die zin dat de kennis van de blauwdruk van het menselijk genoom juist voor de interpretatie van alledaagse en epidemiologisch zwaarst wegende ziektecategorieën geen soelaas zal kunnen bieden. De Rotterdamse geneticus prof.dr. D. Bootsma gaf dit pijnlijke dilemma ooit onbedoeld weer in de titel van een voordracht, geheten 'Wee de genen'. Anders gezegd, zou de identificatie van het menselijk genoom wel eens een gepasseerd station kunnen blijken, waarna er nog veel te reizen valt.

Naschrift P. Borst

Ik was bang dat mijn stelling een open deur zou zijn, maar dat blijkt mee te vallen. Een korte toelichting om de gerezen misverstanden recht te zetten.

Uiteraard zijn Nature en Nurture, aanleg en omgevingsfactoren, verweven en beide essentieel voor inzicht in ziekte. Tot voor kort waren de omgevingsfactoren in die kluwen meestal duidelijker herkenbaar dan de aanleg. Roken geeft longkanker, veel dierlijk vet geeft vervette slagaderen. Uiterst nuttige kennis. maar toch maar de helft van het plaatje. Want waarom krijgt maar één op de tien rokers longkanker en de andere negen niet? Toeval? Ofspeelt hierin toch ook een aanlegfactor mee? En waarom kan de één slechter tegen veel dierlijk vet dan de ander? Aanleg speelt zeker een rol en de bijbehorende genen worden in hoog tempo geïdentificeerd, en die nieuwe kennis lijkt mij belangrijk voor de geneeskunde. Is dat een pleidooi voor roken en roomijs van deze genoom-gnoom? Uiteraard niet. Meer genetische kennis betekent ook niet dat aanleg plotseling belangrijker is geworden, alleen dat eindelijk in de Nature-Nurture-kluwen de Nature-draad goed zichtbaar wordt. Ikverwacht dan ook dat de huisartsen die wij nu opleiden over twintig jaar gretig gebruik zullen maken van die nieuwe kennis.

Het is ook niet zo dat de aangehaalde uitspraak van Inoue en medewerkers tegen mijn stelling pleit, integendeel. Inoue heeft gelijk dat de aanleg voor diabetes, hypertensie, hartinfarct en vetzucht complex is, en dat we daar nog niet zoveel van begrijpen, maar dat komt juist omdat we maar een paar genen kennen. Bij al die ziektes gaat het vaak om een complexe aanleg, waarbij verschillende genen tegelijk zijn betrokken, samen met omgevingsfactoren. Juist om die complexe aanleg te ontrafelen, is het nodig om alle genen te kennen (neemt tien jaar) en te weten hoe ze samenwerken (neemt nog eens 10 jaar). We kennen nu minder dan vijf procent van de menselijke genen, maar het belang van dat kleine beetje kennis voor het begrijpen en voorkomen van ziekten is al enorm en onomstreden. Waarom zou de geneeskunde met de kennis van het hele menselijke genoom dan niet een nog veel nuttiger hulpmiddel krijgen? Waarom zou ons dat niet kunnen helpen bij het ontrafelen vanaanleg en omgevingsfactoren bij 'alledaagse' ziekten?

Die sombere visie van Birkenhäger is zeker niet af te leiden uit het stuk van Inoue, die bezig is om de complexe aanlegfactoren bij verhoogde bloeddruk te ontrafelen en die duidelijk verwacht op termijn te kunnen begrijpen waarom sommige mensen van zout een hoge bloeddruk krijgen en andere niet. Al die problemen die hij noemt, zijn op termijn oplosbaar, als de genetische informatie maar volledig genoeg is. Technisch is het nu al mogelijk zesduizend genen tegelijk met een chip te analyseren. Ik verwacht dat over twintig jaar huisartsen geregeld een paar duizend genen bij hun patiënten zullen laten analyseren, zoals ze nu bloed laten prikken of een plasje na laten kijken. Als die voorspelling niet uitkomt, stuur ik een mooie fles aan collega Birkenhäger, want alcohol mag vast nog over twintig jaar, mits met mate.