Meer polarisatie tussen de partijen is broodnodig

Ruim een half jaar voor de verkiezingen is kleurloosheid onder de politieke partijen troef, aldus Ruud Koole. Het zou de vitaliteit van de democratie ten goede komen, wanneer de politieke partijen zich duidelijker uitspreken over de gewenste verhouding tussen individu en gemeenschap.

Deze week beleefden wij een jaarlijks hoogtepunt in onze parlementaire democratie. De Troonrede werd uitgesproken en in de Tweede Kamer werden de algemene politieke beschouwingen gehouden. De teneur van het debat was 'het gaat goed en daarom kan het beter', om PvdA-fractievoorzitter Wallage aan te halen. Het kabinet en de coalitiepartijen deden veel moeite om niet van hoogmoed beschuldigd te worden, en dat kostte moeite.

De sfeer was heel anders dan in 1983, toen de koningin de Troonrede begon met de zin “Ons land wordt deze jaren zwaar op de proef gesteld”. Stijgende werkloosheid en groeiende overheidstekorten brachten het eerste kabinet-Lubbers toen tot drastische bezuinigingsmaatregelen. Zozeer, dat de toenmalige PvdA-leider Den Uyl het kabinet verweet de verzorgingsstaat af te breken. Deze week zei de koningin: “De vooruitzichten voor 1998 zijn gunstig”.

Tijdens de algemene politieke beschouwingen leverde de grootste oppositiepartij, het CDA, weliswaar een tegenbegroting in, maar een felle aanval, zoals Den Uyl deed, bleef uit. Premier Kok had geen moeite het beleid van de 'droombegroting' te verdedigen en de regeringspartijen zeiden alle drie het kabinetsbeleid tot inzet van de verkiezingen te willen maken.

Maar lenen de standpunten zoals die werden uitgesproken tijdens de algemene beschouwingen zich wel voor verkiezingen? Is er wel iets te kiezen? “Als alle hoofdstromen in de Nederlandse politiek zich scharen rondom dezelfde overlegeconomie”, zo vroeg CDA-fractievoorzitter De Hoop Scheffer zich af, “hoe kan de kiezer dan nog kleurverschil zien?”

In een bekende definitie van een democratie wordt gesteld, dat deze bestaat als er concurrentie is tussen elites om de stemmen van de burgers. Toen de Amerikaanse econoom Schumpeter deze omschrijving ruim vijftig jaar geleden opstelde, ging hij er van uit dat verschillende elites zich elk met eigen beleidsvoornemens aan het electoraat zouden presenteren, waarop de kiezers hun keuze konden bepalen. Op die beperkte definitie is met name in de jaren zestig veel kritiek gekomen, vanwege het elitaire karakter ervan. Maar zelfs wanneer deze kritiek terzijde wordt gelaten, kan men zich afvragen of de huidige Nederlandse situatie wel voldoet aan deze minimale definitie.

De algemene beschouwingen wekten in dit opzicht weinig vertrouwen. Formeel worden die gehouden naar aanleiding van de Miljoenennota, maar zeker in het jaar vlak voor de Tweede-Kamerverkiezingen mag men verwachten dat men verder kijkt dan die nota. Al gauw ging het echter om 100 miljoen gulden meer of minder voor de gezondheidszorg, de verhoging van het minimumloon, of het al dan niet gedogen van wetsovertreding bij geluidsoverlast rond Schiphol. Stuk voor stuk belangrijke zaken, maar een duidelijk profiel verschaften zij de partijen niet.

De 100 miljoen extra voor de gezondheidszorg die het CDA wil uittrekken bleek gefinancieerd te worden uit een bezuiniging van 300 miljoen gulden op datzelfde beleidsterrein. Bovendien bleek elk van de partijen de gezondheidszorg tot hoogste prioriteit te verheffen, zodat het moeilijk is daar fundamentele meningsverschillen in aan te treffen.

De verhoging van het minimumloon, die de PvdA voorstelde, was gekoppeld aan de voorwaarde van voortgaande economische groei en aanvullende maatregelen. Natuurlijk, groei maakt het voorstel makkelijker uitvoerbaar. Maar het verdoezelt tegelijkertijd een echte keuze. Wat te doen bij een stagnerende economie? Blijft de PvdA dan de belangen van mensen met een minimumloon of een uitkering als hoge prioriteit verdedigen?

Het imago van de VVD als strenge handhaver van even strenge regels, liep een deuk op nu die partij de regels voor geluidshinder rond Schiphol 'flexibel' wil hanteren.

Deze onduidelijke profielen hebben alles te maken met het ontbreken van lijsten van politieke prioriteiten, waaraan elke partij haar voorstellen zou moeten toetsen. De tijd van ideologieën als blauwdrukken van een toekomstige samenleving ligt inmiddels ver achter ons. Dit soort prioriteitenlijsten zijn toch wel het minste wat partijen de kiezers zouden moeten bieden.

Er was een enkel lichtpuntje in de algemene beschouwingen te ontwaren. De Hoop Scheffer begon zijn verhaal met een christen-democratisch appèl op het belang van morele waarden, het maatschappelijk middenveld en gemeenschapszin. Toen Wallage daarop reageerde dat ook de sociaal-democraten uitgaan van de gemeenschap, was de christen-democratische voorman daarover “dolblij”. Het debat weerspiegelde hier de discussie onder intellectuelen van de diverse partijen over communitarisme en libertairisme, die vanuit de Verenigde Staten is komen overwaaien. Staat de gemeenschap of het individu centraal in de politieke filosofie van de partij?

Het zou de duidelijkheid in de politiek ten goede komen indien partijen volgens die begrippen konden worden ingedeeld. Maar zo eenvoudig ligt het niet. Niet alleen de PvdA worstelt intern met de vraag hoe de individualisering gecombineerd moet worden met gemeenschapszin. Ook in de VVD is die vraag opgeworpen, al bleek slechts een beperkt aantal leden in zo'n discussie geïnteresseerd. Het surfplank-liberalisme van de jaren tachtig is overboord gezet, maar wat er voor in de plaats komt, is nog niet duidelijk.

Het CDA, zo bleek, hecht weliswaar zeer aan de 'gemeenschap', maar wil geen terugkeer naar Victoriaanse tijden. Het hier beleden communitarisme kan echter gemakkelijk omslaan in moreel conservatisme. Waar precies trekt het CDA de grens?

De partijen zouden hun standpunt over de verhouding tussen individu en gemeenschap eens wat dieper moeten doordenken dan nu gebeurt. Bovenal zouden zij belangrijke concrete beleidsmaatregelen aan die principiële uitgangspunten moeten toetsen. Want daar ontbrak het aan bij deze algemene beschouwingen. De koppeling tussen principes en plannen was heel zwak. En de sfeer tussen de grote partijen was er niet naar om elkaar daarover lastig te vallen.

Ook het CDA deed dat niet. De Hoop Scheffer begon met met filosofische getinte noties over 'cohesie' en 'vertrouwen', maar leek er in het verloop van het debat vooral op uit om opgenomen te worden in de club van de grote vier partijen. Heel duidelijk was dat bij de milieuproblematiek. Alle partijen zijn voor de bescherming van het milieu. Maar het paarse kabinet stelt zonder een begin van een overtuigend bewijs, dat het milieu gediend kan zijn bij voortgaande economische groei. En het CDA volgt het kabinet daarin. Dat is makkelijk, want dan behoeft er geen keuze gemaakt te worden. Intussen blijft de CO2-uitstoot toe- in plaats van afnemen.

Maar deed Wallage dan geen voorstellen om de werking van democratie te versterken? In een interview pleitte hij onlangs voor een versterking van de controlerende kracht van de Tweede Kamer, onder andere door de Kamer te verkleinen en te voorzien van een onderzoeksbureau. In de algemene beschouwingen werd hij hier op aangesproken. Het was een discussie die op het grote publiek geen grote indruk zal hebben gemaakt. Daarvoor was ze te eenzijdig op Den Haag gericht. Toch is zij niet zonder belang. De versterking van de controlerende rol van de Tweede Kamer zou echter wel eens kunnen leiden tot nòg minder onderscheid tussen de partijen.

Immers, wanneer de Kamer als instituut tegenover het kabinet komt te staan (staatsrechtelijk dualisme), vallen de verschillen tussen de fracties nog verder weg. De politieke realiteit van een scheiding tussen oppositie en coalitie (politiek dualisme) is juist broodnodig om nog politieke keuzen zichtbaar te maken. Geen democratie zonder oppositie. Men moet de informatievoorsprong van de regering niet proberen te pareren met maatregelen die de echte politieke strijd tussen partijen nog meer aan het zicht onttrekken dan nu al het geval is. Eerder zou moeten worden gedacht aan het Deense systeem, waar elke fractie over een eigen politiek-economisch bureau beschikt.

De grootste makke van paars is dat de belangrijkste tegenstellingen nog steeds voornamelijk op het terrein van de sociaal-economische politiek liggen, terwijl de belangrijkste tegenstrevers op dat gebied bij elkaar in een kabinet zitten. Alsof het een nationaal kabinet is. Er is toch geen noodsituatie!

Een zekere mate van polarisatie tussen partijen is broodnodig. Een 'democratisch poldermodel', dat - net als de sociaal-economisch variant - gebaseerd zou zijn op consensus, is het laatste wat een gezonde democratie nodig heeft. Het is te hopen dat de 'paarse' partijen wat minder lief tegen elkaar zijn het komende jaar, anders verworden de verkiezingen tot een ritueel. En dat is het laatste wat die drie partijen, die elk de term 'democratie' in hun naam dragen, zouden moeten willen.

Eén van de belangrijkste functies van politieke partijen is het tegen elkaar afwegen van strijdige belangen. Indien dat niet gebeurt op basis van een doordachte richtingevende lijst van prioriteiten, dreigt politieke besluitvorming plaats te vinden bij de waan van de dag of volgens het recht van de sterkste lobby.

Algemene beschouwingen zijn bij uitstek geschikt om de partijen zich aan elkaar en via de media aan de kiezers te laten presenteren. Dat is helaas niet gebeurd. De partijen hebben nog een lange weg te gaan tot mei 1998.