Isocrates op 8 plankje; Vondst in Egyptische oase werpt nieuw licht op Griekse redenaar

Griekse en Latijnse teksten die in druk zijn verschenen zijn altijd het resultaat van interpretatie. Papyroloog Worp en graecus Rijksbaron wierpen zich op een vondst uit een Egyptische oase. Hun conclusie: de tekst van de eerste drie redevoeringen van de Griekse redenaar Isocrates behoeft een nieuwe beoordeling.

Een beschrijving van de codex verschijnt binnenkort onder de titel The Kellis Isocrates Codex. Ed. K.A. Worp & A. Rijksbaron (Dakhleh Oasis Project Monograph, Oxford 1997).

HET IS NIET ONMOGELIJK dat de beroemde Griekse redenaar Isocrates (436-338 v.Chr.) ooit in hoogst eigen persoon zijn manuscript bij zijn uitgever heeft langsgebracht. Maar zijn tekst moet in meer of mindere mate hebben verschild van die welke de twintigste-eeuwse lezer onder ogen komt. Alle Griekse en Latijnse teksten, zoals die nu in druk verschijnen, zijn het resultaat van de interpretatie die moderne geleerden hebben gegeven aan wat is overgebleven van antieke teksten: papyrusrollen uit de oudheid en handschriften uit de Middeleeuwen.

In het geval van Isocrates hebben de geleerden het tot voor kort voornamelijk met middeleeuwse handschriften moeten doen. Het oudste Isocrates-handschrift, dat zich in het Vaticaans Museum bevindt, stamt uit de negende of tiende eeuw. Het handschrift, in het begin van de negentiende eeuw ontdekt door de Pruisische geleerde Bekker, is afkomstig uit de Italiaanse stad Urbino. Aan zijn oorsprong dankt het zijn welluidende naam Urbinas, maar in wetenschappelijke uitgaven is het de gewoonte een handschrift prozaïsch aan te duiden met een letter, in dit geval de Griekse hoofdletter Gamma.

Er zijn nog twee belangrijke Isocrates-handschriften, aangeduid met Labda en Pi, maar sinds Bekker 'zijn' handschrift tot het beste heeft geproclameerd, hebben tekstverzorgers hun edities vooral op Gamma gebaseerd. “Wetenschap is toch vooral elkaar overschrijven”, zegt de papyroloog Klaas Worp ter verklaring. Er was wel eens een kritische geest die beweerde dat de andere handschriften evenveel waarde hadden, maar zonder harde bewijzen was hij een roepende in de woestijn.

Tot 1986. Toen deden Australische archeologen tijdens opgravingen van de historische stad Kellis in de Dakhleh-oase in Egypte een bijzondere ontdekking. In wat de keuken van een huis is geweest vonden ze een houten codex: achteneenhalve houten plank (32 bij 16 centimeter), aan elkaar gebonden met draadjes, vormde een ruim drie centimer dik 'boek'. De met inkt op het hout geschreven tekst was in het Grieks. Bij de eerste, snelle lezing stuitten de onderzoekers op de naam Nicocles. Dat deed bij de Australiërs, die tenslotte niet de hele klassieke literatuur ter plekke paraat hadden, een belletje rinkelen. Kwam die naam niet voor in een verloren gewaand werk van Aristoteles? Voor ze het wisten meldde de Britse Times dat een onbekende Aristoteles-tekst was gevonden. Na nader onderzoek kwamen de Australiërs van hun bewering terug. Het ging 'slechts' om de tekst van de drie eerste, al eerder bekende redevoeringen van Isocrates: Aan Demonicus (een verzameling vermaningen, gericht tot de zoon van een overleden vriend), Aan Nicocles (over de plichten van de monarch, gericht tot de zoon van Euagoras I van Salamis op Cyprus), en Nicocles ofwel de Cyprioten, waarin Isocrates Nicocles het woord laat richten tot zijn onderdanen, om hen op hun plichten te wijzen.

Dat de onderzoekers bij hun eerste lezing op het verkeerde spoor zaten, is niet onbegrijpelijk. Het schrift op de plankjes is geen schoonschrift, zoals geen enkel antiek handschrift is te vergelijken met de keurige, gedrukte Griekse letters in moderne, wetenschappelijk verantwoorde boeken. Antieke handschriften hebben iets weg van steno. Sterker: ze vertonen soms letterlijk snelschrift. Een regelmatig voorkomend woordje als kai (en) is bijvoorbeeld niet meer dan een korte krabbel. Het is een vak apart om dergelijke handschriften te ontcijferen.

Klaas Worp is, op aanraden van een Australische collega, sinds 1992 betrokken bij het Dakhleh Oasis Project (zie kader). Na de publicatie van negentig niet-literaire papyri uit de oase - “Ik moest me eerst bewijzen” - werd hem twee jaar geleden gevraagd ook de codex te publiceren. Worp reisde de afgelopen tijd regelmatig af naar de woestijn in het zuiden van Egypte om daar, in een lemen hut en bij het licht van een enkel peertje, de codex en de teksten te bestuderen. Eén plankje bleek gemaakt te zijn van een wilg, de rest is van acaciahout. “Waarschijnlijk is de wilgenplank een latere toevoeging”, zegt Worp. De plankjes vormen één geheel, dat is duidelijk te zien aan de v-vormige inkeping op de rug. “Zo kun je zien wat de volgorde van de plankjes is.”

In de 1030 geschreven regels ontdekten Worp en collega Albert Rijksbaron - beiden zijn verbonden aan de Universiteit van Amsterdam - drie verschillende schrijvershanden. Één plankje bevat zelfs een zestienhonderd jaar oude vingerafdruk. Op grond van handschriftkenmerken en nabijgelegen archeologische vondsten wordt de codex gedateerd in het midden van de vierde eeuw na Chr. Worp: “De houten codex was het boek van een schoolmeester.” Aangenomen mag dan ook worden dat de eigenaar de codex voor zijn leerlingen heeft gebruikt. “Aan de randen van het eerste en tweede blad zijn aantekeningen geschreven over de betekenis van woorden. Het gaat om heel eenvoudige verklaringen als ou mikra (niet weinig) = panu (zeer).”

De datering maakte vooral nieuwsgierig naar de tekstkritische waarde van de codex. Hij is immers vijf- à zeshonderd jaar ouder dan Gamma, het oudste middeleeuwse handschrift. Worp riep voor de vergelijking met de reeds bekende Isocrates-handschriften de hulp in van taalkundige Albert Rijksbaron. “Mijn kennis van de grammatica van klassiek Grieks is in de loop der jaren te veel weggezakt om bijvoorbeeld met zekerheid te zeggen of de voorkeur gegeven moet worden aan een aoristusvorm in de codex of aan de praesensvorm in de andere handschriften.”

Het tweetal viel van verbazing bijna van zijn stoel, toen al in de vierde regel van de Nicocles ofwel de Cyprioten een lezing stond die in geen van de andere handschriften voorkwam. Isocrates vraagt zich in het begin van de redevoering af waarom redenaars een slechte reputatie hebben en filosofen een goede. Het gaat er nu om of Isocrates spreekt van mensen die 'goed willen spreken' (eu legein epithumountas) of, zoals in het nieuwe handschrift staat, van mensen die 'goed proberen te spreken' (eu legein epicheirountas). Rijksbaron: “De nieuwe lezing is even goed als de al bekende tekst, zo niet beter. We hadden toen even het idee dat we met het oudste tevens het beste handschrift in handen hadden.” Maar al snel bleek dat de schrijver van het handschrift er soms een potje van heeft gemaakt. Rijksbaron: “Om een voorbeeld te geven. Op een plaats waar in overeenstemming met de context in de middeleeuwse handschriften pronoia (vooruitziende blik) staat, is in de codex paranoia (waanzin) te lezen.” Tot lichte teleurstelling van de twee geleerden bleek de codex dus geen aanspraak te kunnen maken op de status van meest gezaghebbende handschrift.

Toch komen Worp en Rijksbaron tot enkele honderden serieus te nemen afwijkingen van de andere handschriften. Daarbij gaat het niet alleen om een andere betekenis van woorden, zoals in het begin van de Nicocles, maar ook om een andere woordvolgorde of om een verschil in aspect door het gebruik van een andere werkwoordsvorm. “Tekstcritici zullen de lezingen nader op hun waarde moeten schatten”, zeggen Worp en Rijksbaron. “Wij hebben slechts voor de Nicocles precies aangegeven aan welke varianten wij de voorkeur zouden geven als wij een teksteditie zouden maken. Want dan moet je echt kiezen, bij wijze van spreken met het pistool op de borst.” Zo zou het tweetal, indien met geweld gedwongen, in Nicocles 132,6 kiezen voor de lezing ton bion diagagomen en niet voor ton bion diagomen in de andere handschriften. “Op grond van de context vinden wij het beter de nadruk te leggen op de voltooiing van het leven dan op de loop van het leven.”

“De inhoud van de tekst van Isocrates verandert niet wezenlijk door ons onderzoek”, zegt Rijksbaron, maar hij acht het beslist meer dan “filologisch geneuzel”. Worp: “Het gaat sowieso om een heel bijzondere vondst. De codex is het oudste literaire houten boek. Hij vormt de overgang van het houten schrijftablet naar de perkamenten codex.” Rijksbaron: “Dit oudste Isocrates-handschrift drukt je weer eens op de vraag waar al die verschillende lezingen vandaan komen. Het blijft voorlopig een raadsel waarom de codex op bijna evenveel plaatsen overeenkomt met Gamma als met Labda en Pi. We kunnen er niet omheen dat al in de oudheid verschillende Isocrates-teksten bestonden. De codex werpt ook een ander licht op de discussie over wat goede en slechte handschriften zijn.” Worp, even pr bedrijvend voor zijn vak: “Ons onderzoek wijst tekstgeleerden weer eens op het belang van de papyrologie. Er kan altijd weer ergens een nieuwe tekst opduiken. En die moet dan wel gelezen kunnen worden.” Veelbetekenend voegt hij eraan toe: “Ik ben hier aan de universiteit de enig overgebleven papyroloog.”

En hoe staat het met de codex zelf? Rijksbaron en Worp hebben hem de Kellis Isocrates Codex gedoopt en hem het siglum Psi meegegeven. Worp: “Psammos is het Griekse woord voor zand. Daarin is hij gevonden.” De codex bevindt zich nog steeds in de buurt van veel zand. Hij hangt in een vitrine in het provincie-museum in de Kargeh-oase. Worp heeft de codex, met een geschatte marktwaarde van twee miljoen gulden, begin dit jaar nog gezien. “Ik wilde wat laatste dingen verifiëren. Maar dat ging niet. De codex hing op zijn kop in de vitrine en de sleutel daarvan was niet te vinden.”

Isocrates zette proza om in poëzie

De Atheense redenaar Isocrates, zoon van bemiddelde ouders, kreeg een gedegen opleiding bij sofisten en filosofen. De filosoof Socrates laat zich aan het eind van Plato's Phaedros nog lovend over hem uit. Als gevolg van de Peloponnesische oorlog raakte hij het familiekapitaal kwijt, waardoor hij zich gedwongen zag als logograaf, schrijver van pleidooien, in zijn onderhoud te voorzien. Een zwakke stem en een bedeesde natuur stonden een carrière als redenaar in de weg. Rond zijn veertigste stichtte Isocrates zijn eigen rhetorenschool. Tot zijn leerlingen behoorden de politicus Lycurgus, de geschiedschrijver Theopompos en mogelijk ook de redenaar Demosthenes.

Een enkeling kritiseert Isocrates omdat zijn zinnen soms de omvang van architectonische bouwwerken aannemen, maar al vanaf de oudheid wordt hij geprezen om zijn zuivere taalgebruik. Net als van Plato wordt gezegd dat hij proza in poëzie heeft omgezet. Isocrates' taal is ritmisch en vrijwel zonder hiaat, dat wil zeggen dat als een woord op een klinker eindigt het volgende niet met een klinker begint.

Van Isocrates zijn 21 redevoeringen en negen brieven bewaard gebleven. Zijn levenswerk, tevens zijn bekendste werk is de Panegyricus, een lofrede op de vrede en tevens een oproep aan Athene en Sparta om gezamenlijk ten strijde te trekken tegen de grote vijand, de Perzen. Isocrates deed over dit werk zo lang dat later wel eens met enige spot werd gezegd dat Alexander de Grote minder tijd nodig had om het hele Perzische rijk te onderwerpen.

Isocrates' opvatting dat welsprekendheid karaktervormend werkte, viel in goede aarde, onder anderen bij de Romeinse redenaar Cicero. De moralistische inhoud van zijn geschriften in de trant van 'wanhoop niet, zolang je het niet eerst hebt geprobeerd' maakte zijn werken tot in de achttiende eeuw verplichte kost voor scholieren en menig toekomstig vorst.

Dakhleh Oasis Project

In het kader van het Dakhleh Oasis Project, dat onder leiding staat van de Britse egyptoloog Anthony J. Mills, komt sinds 1986 elk winterseizoen een internationaal gezelschap naar de ongeveer honderd vierkante kilometer grote Dakhleh-oase in het zuiden van Egypte. Archeologen, Arabische dialect-kundigen, egyptologen, paleontologen, paleobotanici, zoölogen en papyrologen bestuderen dan de oase in al zijn aspecten over een periode van meer dan 200.000 jaar. De oase is omgeven door een droog woestijngebied van zeker 300 vierkante kilometer. In de derde eeuw na Chr. zochten de Manicheeërs, een naar hun stichter Mani genoemde christelijke sekte, er hun toevlucht. Vervolgd door de 'officiële' christenen werden zij gedwongen het Nijldal te verlaten en zich in de ontoegankelijke Dakhleh-oase te vestigen.

De opgravingen van Kellis, dat tegenwoordig Ismant el-Kharab heet, hebben behalve de Isocrates-codex overigens andere bijzondere vondsten opgeleverd. Papyroloog Worp: “Gebouwen met soms acht meter hoge intacte muren, muurschilderingen, vijfduizend papyri, mummies (één voorzien van een ring met een steen, waarop onder een microscoop een man met een kruis valt te onderscheiden), glas, huisraad en kleding, het eerste met Griekse letters beschreven kleitablet uit Egypte en een tweede houten codex.” Deze laatste codex, die uit dezelfde periode als de Isocrates-codex stamt en eveneens uit acht plankjes bestaat, bevat een deel van de administratie van de boerderij van een zekere Faustianus. Tegen het einde van de vierde eeuw moeten Faustianus en zijn mede-oasebewoners zijn weggetrokken. Worp: “De laatst dateerbare documenten stammen uit 392. De opdringende woestijn en de toenemende verzilting van de waterbronnen maakten verdere bewoning onmogelijk.”

Betweterige monniken

Klassieke auteurs waren sinds de opkomst van het christendom en zeker vanaf de derde eeuw in het algemeen weinig geliefd. Een goed christen die toevallig in het bezit was van een papyrusrol met een heidense literaire tekst, verving die bij beschadiging liever door een christelijke tekst. Veel klassieke teksten zijn op die manier verloren gegaan.

Daar kwam pas in de negende eeuw verandering in, toen Byzantijnse monniken alsnog de waarde inzagen van klassieke auteurs. Zij gingen over tot het stelselmatig kopiëren van oude Griekse handschriften, die meestal uit de late oudheid stamden. Het zijn vooral deze middeleeuwse monnikenhandschriften die bewaard zijn gebleven. Lange tijd vormden ze de enige bron voor klassieke teksten. Een bron waar, tijdens het kopiëren of dicteren, de nodige fouten binnenslopen - en ook omdat er altijd wel een monnik was die meende het beter te weten en eigenhandig veranderingen in de tekst aanbracht. De fouten in de middeleeuwse handschriften kwamen vooral aan het licht toen vanaf de achttiende eeuw in de Egyptische woestijn en in Herculaneum (dat evenals Pompeii in 79 na Chr. onderging door de uitbarsting van de Vesuvius) papyri met Griekse teksten werden gevonden, die soms maar een eeuw jonger waren dan het origineel.