Hypotheekrente

Bij de vele discussies over de aftrekbaarheid van hypotheekrente wordt uit het oog verloren dat deze voornamelijk een prijsopdrijvende werking heeft en derhalve het meest ten gunste van de verkopers strekt.

Een aanstaande koper zou er derhalve niet zo aan moeten hechten. Indien deze immers naar zijn bank gaat en daar zijn leningplafond hoort, kan hij (door de hoogte daarvan) weliswaar verblijd het bankkantoor verlaten, doch hij treft vervolgens op de kopersmarkt anderen aan die ongeveer hetzelfde hebben gehoord. Daardoor kan een ieder tot een hoog bedrag gaan en koopt een ieder een huis voor een prijs die wordt bepaald door de (extra) hoogte van het plafond die door de aftrekbaarheid is ontstaan.

Een voorbeeld dat dit aantoont is het feit dat zodra er in de politiek weer te horen is dat een wijziging van de aftrekbaarheid (eigenlijk zeer) wenselijk is, dat onmiddellijk leidt tot de stelling van de kopers dat zij alleen bereid zijn om het politieke risico van deze geluiden te dragen als de prijs naar beneden gaat. Indien er geen aftrekbaarheid zou zijn, zal de prijs - en derhalve de hypothecaire lening - zo veel lager zijn, dat dat ongeveer op hetzelfde aan netto maandlasten zal uitkomen.

Uiteraard is dit geen pleidooi om tot een plotselinge afschaffing te komen, omdat degenen die reeds een huis hebben daardoor zwaar worden gedupeerd. Een wijziging zal daarmee rekening moeten houden. Het is gezien de overeengekomen harmonisering binnen de EU en de noodzakelijke verlaging van onze belastingpercentages wel nodig dat er een échte wijziging komt. De thans door de staatssecretaris overwogen uitruil van het huurwaardeforfait tegenover een vermindering van de aftrekbaarheid is slechts een schijnoplossing.