Haarlems koor zingt in film over Japans vrouwenkamp; Muziek uit nood geboren

De film 'Paradise Road' laat zien hoe vrouwen in een Japans interneringskamp kracht putten uit een 'stemmenorkest'. Leny van Schaik gaf de acteurs zangles en leerde Glenn Close dirigeren.

Filmeditie De kracht van een lied, Helen Colijn, ISBN 90 5194 024 6, ƒ 32,50; CD Song of survival SK 63026, ƒ 42,95. Prijs boek en cd samen ƒ 65,-. Inl. (0517) 39 45 88.

AMSTERDAM, 20 SEPT. Leny van Schaik is dirigente van Haarlemse amateurkoren met opgewekte namen als Malle Babbe, Haarlemmerolie, Hoe gaat 't er mee en het Knipkaartkoor. Met Malle Babbe had ze een cd gemaakt van vocale werken die door vrouwen in een Japans interneringskamp op Sumatra werden gezongen. Dat had tot gevolg dat er op een dag een beroemde filmregisseur voor haar deur stond en ze kort daarop naar Australië vloog om als muzikaal directeur mee te werken aan een speelfilm met een internationale bezetting. De cd was uitgekozen als soundtrack voor de film Paradise Road, die volgende week in première gaat.

Paradise Road van de Australische regisseur Bruce Beresford speelt zich af in een Japans interneringskamp voor vrouwen op Sumatra tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het verhaal is gedeeltelijk gebaseerd op het boek De kracht van een lied - Overleven in een vrouwenkamp van Helen Colijn, waarvan nu een speciale filmeditie is uitgekomen. Helen Colijn (75), kleindochter van de vooroorlogse minister-president Hendrikus Colijn, beschrijft daarin hoe in het kamp, waar zij met haar twee zussen zat, vrouwen in de ellendige omstandigheden kracht ontleenden aan een 'stemmenorkest'. Het was een a capella koor van ongeveer dertig vrouwen onder leiding van twee Britse vrouwen, Margaret Dryburgh en Norah Chambers. In schoolschriften en op vodjes papier bewerkten zij dertig thema's uit de klassieke muziek zoals het largo uit Dvoks symfonie Uit de Nieuwe Wereld en Menuet in G van Beethoven tot vier- tot achtstemmige vocale werken. Ze putten uit eigen geheugen en waarschijnlijk ook uit een pianoboek van een van de kampgenoten. Het koor gaf zijn eerste concert op 27 december 1943 en bleef zingen tot bijna de helft van de leden, onder wie ook Margaret Dryburgh, was gestorven aan ondervoeding en tropische ziekten.

De soundtrack van Paradise Road, waarin de Amerikaanse actrice Glenn Close de hoofdrol speelt, is door Sony Classics op cd uitgebracht. Het leeuwendeel bestaat uit bijdragen van het stemmenorkest: ijle, zuivere klanken uitgevoerd door Malle Babbe, een 48-koppig vrouwenkoor met een repertoire dat reikt van Bach tot hedendaagse smartlappen. “Ik kwam acht jaar geleden met de muziek van het stemmenorkest in contact door een van de koorleden, die met haar moeder in een Japans kamp had gezeten,” vertelt Leny van Schaik. “Ze had gehoord dat er in een kamp op Sumatra op een bijzondere manier orkestmuziek werd gezongen.” De zussen Colijn hebben na de oorlog de 'partituren' uit het kamp meegenomen en in bewaring gegeven van de Stanford University in Californië. De helft ervan is, ook in Nederland, als bladmuziek uitgegeven. Van Schaik stuitte toevallig op de uitgave op een muziekbeurs in De Doelen en begon de stukken met Malle Babbe in te studeren. “Dat was niet zo makkelijk omdat ik gewend ben aan het woord als uitdrukkingsmiddel. Het was ineens alsof ik voor een orkest stond. Ik heb ook moeten uitzoeken op wat voor klinkers ik de noten moest laten zingen. De klank moest passen bij het onderwerp en het koor. Ik heb in de verschillende stemgroepen wisselende vocalen uitgeprobeerd en heb besloten voor deels neuriën en deels zingen op 'a' en 'di-di'. Maar dan ben je er nog niet. Klinkers moet je ook kleuren. Iedereen spreekt ze anders uit, afhankelijk van waar je wieg heeft gestaan, de bouw van je schedel en de lenigheid van je articulatieapparaat. Als de uitspraak verschilt, krijg je toonschommelingen. Als je een koor 'oe' laat zingen, hoeft er maar één een verkeerde mondstand te hebben, en dan klinkt het al vals.”

Helen Colijn hoorde het koor voor het eerst bij een signeersessie van haar boek in Nederland. “Vanaf dat moment is ze niet meer uit ons leven weggeweest. Ze was onder de indruk van de manier waarop we de werken uitvoerden. Die komt kennelijk het dichtst bij wat zij zich herinnert. Sindsdien hebben we vaak met haar samen opgetreden. Wij zongen en zij vertelde over haar kampervaringen. Zij kwam ook op het idee van een cd. Zelf had ik daar nooit aan gedacht. Ik heb drie jaar geprobeerd er onderuit te komen, maar Helen was onverzettelijk.”

Het was ook Helen Colijn die met Bruce Beresford kwam. Hij had een filmscript geschreven op grond van onderzoek, interviews en publicaties van overlevenden. Hoewel ook andere koren in Australië, Amerika en Nederland de muziek uit het kamp op hun repertoire hebben, koos Beresford voor Malle Babbe. “Helen had hem onze cd laten horen. Volgens haar pakte hij vijf minuten later de telefoon en belde mij. Hij is naar Nederland gekomen en na een kwartier praten bood hij me aan naar Australië te komen. Ik weigerde eerst nog, omdat ik mijn koren niet in de steek wilde laten.”

Ze ging toch, met vijf koorleden. die figureren in de film. Een van hen ging mee om haar kampverleden te verwerken. Van Schaiks taak was onder meer Glenn Close te leren dirigeren. “Glenn Close is zeer getalenteerd, een fenomeen met de ambitie en wilskracht om haar talent in een product om te zetten. Ik heb haar wat techniek bijgebracht, maar het gaat bij dirigeren vooral ook om de overdracht van iets wat niet in het notenbeeld te lezen is. Er moet een vonk overspringen. Ik vond het eerst wat eng om zo'n grote ster te vertellen hoe ze het moest doen, maar ze accepteerde mijn aanwijzingen volledig. Toen ik de eerste rushes zag, vond ik haar zo fantastisch dat ik naar haar ben toegegaan om haar te complimenteren. 'But I see yóu', zei ze toen.”

Wanneer in de film het vrouwenkoor zingt, wordt de opname van Malle Babbe gebruikt. De merendeels Engelstalige actrices en figuranten playbacken. Om dat natuurlijk te laten overkomen, ook in close-up, heeft Van Schayk de vrouwen, van wie velen geen enkele zangervaring hadden, eerst leren zingen. “Ik heb aan stemvorming gedaan en een echt koor geformeerd waar ik ook de stemsoorten bij elkaar heb ingedeeld. We hadden voor iedereen partituren gemaakt met pijltjes en aanwijzingen in het Engels over de uitspraak, want de mondstanden van de Engelstaligen moesten corresponderen met wat je op de cd hoort. Maar belangrijk is vooral het besef waar het om gaat. Tegen mijn eigen koorleden zeg ik altijd dat het me niet kan schelen of ze drie keer in de fout gaan, als ze zich maar realiseren tegen welke achtergrond deze muziek is ontstaan.”