Gergjev dirigeert een verbijsterende Salome

Voorstelling: Salome van R. Strauss door de Nationale Reisopera en het Rott. Philh. Orkest o.l.v. Valery Gergjev (26/9 Jurjen Hempel). Regie: Willy Decker. Gezien: 19/9 Rotterdamse Schouwburg. Herh. 21, 23, 26/9.

De zinderende voorstelling van Strauss' Salome die Valery Gergjev dirigeert tijdens het Rotterdamse Gergjev Festival, lijkt sterk op de enerverende productie van Strauss' Elektra, waarmee vorig jaar het Amsterdamse operaseizoen werd geopend. Beide fascinerende voorstellingen van regisseur Willy Decker met hun vrouwelijke titelpersonages lijken zelfs zó sterk op elkaar dat met twee verschillende opera's vrijwel hetzelfde verhaal wordt verteld.

Deckers Elektra speelde zich af in het paleis van Agamemnon op een trap die van rechtsonder naar linksboven liep. Deze Salome (een reconstructie door de Nationale Reisopera van een Hamburgse voorstelling) speelt in het paleis van koning Herodes op een trap die vanaf de orkestbak naar boven loopt. Beide decors van Wolfgang Gussmann - grijs, koel, abstraherend - zijn schouwplaatsen voor een slachtpartij op instigatie van een vrouw als een reactie op ontwrichte relaties in de familie.

De dochters corrigeren op hardhandige wijze hun moeders, sterke vrouwen die zich ook op seksueel gebied een zelfstandige positie hebben verworven en zich niet langer afhankelijk voelen van hun echtgenoot. Elektra wreekt de dood van haar vader Agamemnon, die vermoord werd door haar moeder en haar minnaar Aegisthos. Salome wreekt haar vrije opvoeding door haar bloedschennige moeder Herodias èn haar stiefvader Herodes, die zijn stiefdochter schaamteloos begeert.

De fenomenale sopraan Karen Huffstodt, dé Salome-vertolkster van deze tijd, ziet Salome als “het jonge onschuldige meisje dat opgroeit in een kapotte familie.” In haar geacteerde en mimische uitbeelding daarvan lijkt zij vooral een slachtoffer. Ze is een schreeuwend, huilend, krijsend kind, dat alleen uitersten kent: grenzeloze liefde en redeloze haat.

Gergjev en het Rotterdams Philharmonisch Orkest maken ook die uitersten sterk hoorbaar. Strauss' Zuid-Duitse 'Schmalz' ontbreekt geheel. Vanuit de dubbelzinnige lyriek ontwikkelt Gergjevs uiteenzetting van de partituur zich in allerlei gradaties van dramatiek naar een genadeloos dissonant, extreem scherp, schril en schrijnend klankbeeld. De muziek klinkt aan het slot alsof Salome met krassende nagels de wereld haar wanhopige woede laat voelen. Wat een goed en luid klinkende orkestbak heeft Rotterdam - daarbij vergeleken is de Amsterdamse akoestiek toch pure armoe.

Er zijn nog meer overeenkomsten tussen Deckers Elektra en Salome. Beide titelpersonages zijn masochistisch - Elektra hult zich in de generaalskleren van Agamemnon, Salome in de profetenmantel van de door haar begeerde Jochanaän (Johannes de Doper). Als zij hun wraak hebben volvoerd - wanneer Elektra's moeder is gedood of de profeet tegen de sterke wil van Herodes is onthoofd - dan is verder leven zinloos. Elektra en Salome plegen beide zelfmoord.

In beide gevallen zijn het interpretaties van Decker die afwijken van de regieaanwijzingen in de libretti. Die zelfmoorden maken van Elektra en Salome vrouwen die welbewust handelen en tot het eind toe met uiterste consequentie hun lot in eigen hand nemen.

Het bijzondere van de ensceneringen van Willy Decker is dat hij de perfecte combinatie weet te vinden tussen dramaturgische analyse, visueel conceptualisme, aansprekende symboliek en een naturalistische, soms zelfs humoristische uitbeelding van de personages. Decker maakt bij de ontzette toeschouwer van deze gruwelijke gebeurtenissen tegelijkertijd heftige weerzin en begrijpende sympathie los.

Bij zijn eerste scènische entree werpt Johannes een schaduw vooruit op de muur: zijn aanwezigheid is een oud-testamentisch 'mene tekel'. Herodes hof is een enclave in de wereld, daar is iedereen kaal. Johannes (met waarlijk profetisch-diepe stem gezongen door Nikolai Poetilin) en de andere joden hebben ongesneden haren. Herodes en Herodias zijn met hun kronen van zilverpapier schertsfiguren, grotesk maar ook aandoenlijk. Het zijn geweldige speelrollen voor Kostantin Ploesjnikov en Kerstin Witt. De scènes met de onderling twistende joodse schriftgeleerden zijn prachtig gedetailleerd. De religieuze waanzin in Oscar Wilde's versie van het bijbelverhaal bereikt een lachwekkend hoogtepunt als Herodes verbiedt dat de Messias doden tot leven wekt.

Intrigerend is de dans die Salome uitvoert voor Herodes. Decker presenteert die als een intieme gebeurtenis: alle omstanders verlaten het podium. Salome's dans groeit met esthetische en zinnelijke stadia uit tot een perverse dodendans. Het is de uitbeelding van de komende dood van Johannes de Doper: ze pakt een dolk en boven de zilveren schotel doet ze alsof ze haar eigen keel afsnijdt. Vervolgens doet ze hetzelfde bij de verrukte Herodes.

Salome, Herodes en Johannes zijn zo door de dood met elkaar verbonden. En Gergjev verleent daaraan vanuit de orkestbak nog een extra betekenis. Zijn frenetieke vertolking van het slot van de sluierdans doet denken aan Strawinsky's Le sacre du printemps, de muzikale verbeelding van een bloedig offerritueel. De slotscène, waarin Salome verliefd en verwijtend het hoofd van Johannes toespreekt, is onbeschrijflijk aangrijpend en deerniswekkend.

Karen Huffstodt is hier een exemplarisch vertolkster van de titelrol. Het Rotterdams Philharmonisch Orkest (ingestudeerd door assistent Jurjen Hempel, die de laatste voorstelling dirigeert) speelt Strauss' muziek op een manier zoals alleen Valery Gergjev die kan doen klinken, striemend en snijdend, alsof het publiek zelf moet voelen hoe het is om de keel te worden afgesneden.

Deze Salome is onvergetelijk en een van de beste en verbijsterendste voorstellingen die ik in lange tijd heb gezien. Al wordt Salome hier niet door Herodes' soldaten verpletterd, de voorstelling is als geheel verpletterend.