Fiscaal corset

Deze rubriek besloot vorige week met de constatering dat een koopsompolis (lijfrenteverzekering tegen eenmalige premiebetaling), waarvan de premie wordt belegd in beleggingsfondsen van de verzekeraar, vlees noch vis is. De verzekering biedt geen zekerheid (de verzekerde draagt immers het beleggingsrisico zelf) en het beleggen blijft beperkt tot waarden die de verzekeraar biedt. Je hebt er niets aan.

De koopsompolis is door de belastingaftrek de heilige koe in financieel Nederland. Iedereen moet er af blijven, want er wordt door betrokkenen veel aan verdiend. Zelfs de consument is fiscaal tevreden, hoewel die samen met de fiscus voor de kosten opdraait, zonder te weten wat daar tegenover staat. Kritiek op dit 'warme broodje' levert veel reacties op.

Een bezorgde lezer schrijft dit. “Het is toch zo dat een betaling bij een lijfrenteverzekeraar tot maximaal 5.839 gulden (1997) aftrekbaar is van mijn belastbare inkomen, waardoor die verzekeraar meer kan beleggen dan ik zelf zou kunnen bij de bank. Van iedere duizend gulden koopsom betaal ik per saldo zelf maar 400 gulden, maar de verzekeraar ontvangt 1.000 gulden om te beleggen. Als ik bovendien een maatschappij kies die alle vrijheid geeft om te beleggen in aandelen, opties, obligaties en beleggingsfondsen, ben ik beter af - ondanks kosten en premie overlijdensrisico - dan bij de bank. Nu trek ik 60 procent af en straks betaal ik hooguit (als die plannen doorgaan) 48 procent.”

Het venijn van deze lijfrenteverzekeringen zit in de staart. Aan het eind van de looptijd heeft de verzekerde een kapitaal opgebouwd dat hij niet in handen krijgt, maar verplicht moet omzetten in een lijfrente; een periodieke uitkering op een lijf.

Premie-aftrek wordt de belastingplichtige slechts verleend voor vijf soorten lijfrenten. Een oudedagslijfrente, die ingaat op een leeftijd naar keuze en eindigt bij zijn overlijden. Een lijfrente voor nabestaanden van de belastingplichtige of zijn echtgenoot. Een overbruggingslijfrente om een achteruitgang in inkomen op te vangen in de periode vóór de pensioeningang. De rente mag ingaan op een datum naar keuze, maar moet eindigen als het pensioen ingaat of op 65-ste jaar. Een tijdelijke oudedagsrente voor de eerste jaren na de ingang van het pensioen, wanneer de lasten nog hoog kunnen zijn. De rente mag pas ingaan op 65 jaar, dan wel wanneer de belastingplichtige met pensioen gaat, de minimum looptijd is vijf jaar. Een lijfrente voor invalide kinderen die ingaat bij of na het meerderjarig worden van het kind.

Voor de polis geldt een afkoopverbod en in de voorwaarden moet deze clausule staan. “Het op de polis vermelde lijfrentekapitaal dient slechts als rekengrootheid en kan derhalve niet in contanten worden uitgekeerd, maar wordt op de lijfrente-ingangsdatum tegen de dan geldende tarieven uitgekeerd aan de verzekeringnemer in de vorm van een oudedagslijfrente ....enzovoort.”

Dit zijn enkele van de vele fiscale eisen die gelden voor een koopsompolis en lijfrentepolissen tegen premiebetaling. Waarom zo ingewikkeld? De fiscus wil de premie-aftrek terugverdienen met de inkomstenbelasting op de lijfrente. Daarom staat deze constructie stijf van de bepalingen. Het is een knellend, fiscaal corset voor het leven, of korter als je kiest voor een tijdelijke uitkering.

Op lijfrenteverzekeringen tegen koopsom, gesloten vóór 1 januari 1992, blijft het oude regime van toepassing, hetgeen onder meer impliceert dat de verzekerde niet verplicht een lijfrente hoeft te kopen, maar zijn verzekering kan afkopen volgens het progressieve tarief van de inkomstenbelasting.

Alle belangrijke regels staan in de overzichtelijke Pensioenmemo 1997 (Kluwer, isbn 90 200 1910 4). Alle lezers die (lastige) vragen over de lijfrenten stelden, kunnen hierin waarschijnlijk een antwoord vinden.

Wie minder diep wil gaan, kan beginnen met het boek Uw pensioen van de pensioenconsulent Rob Goedhart; Kosmos, isbn 90 215 9279 7).

Terug naar de briefschrijver die om het belastingvoordeel de polis prefereert boven beleggen bij de bank.

Tijdens het beleggen, de stukken zijn overigens niet zijn eigendom, ontvangt hij (in feite de verzekeraar) dividend, rente, optiepremies en maakt wellicht koerswinst. Binnen die verzekering is dat belastingvrij. Zijn lijfrentekapitaal kan flink oplopen als hij in juiste fondsen zit en wanneer de beurs meewerkt. Tijdens de uitkering van de lijfrente, zolang hij leeft, wordt de beleggingswinst belast. Daardoor kan de som van de ingehouden belastingen het voordeel makkelijk overtreffen.

Een eigen belegging daarentegen biedt vrijheid en onbelast blijvende koerswinst plus optiewinsten, naast belaste dividenden en renten. Die koerswinst mag je vrij besteden. Eventueel koop je een lijfrente.

Wie een koopsompolis (met vrij beleggen) vergelijkt met zelf beleggen moet dus het hele traject bestuderen. Daarbij dient hij de kosten te kennen die de verzekraar rekent.