Eerlijk in de euro

Tegen welke koersen gaan de munten van de deelnemers aan de Economische en Monetaire Unie per 1999 op in de euro? Te hoog instappen in de euro betekent voor een lidstaat vermogenswinst en concurrentieverlies ten opzichte van de andere deelnemers. Te laag heeft het tegenovergestelde tot gevolg, en kan leiden tot gemor bij de rest van de partners.

De ministers van financiën van de EU besloten vorige week dat tijdens de vegadering van Europese regeringsleiders in mei volgend jaar, waar de lidstaten worden uitverkoren die mogen deelnemen aan de EMU, ook meteen de wisselkoersen al worden vastgesteld. Op dit moment zitten de munten van de aspirant EMU-leden al losjes aan elkaar vast binnen het Europese Monetaire Stelsel. In dat EMS heeft elke deelnemende munt een 'spilkoers' waarvan hij maximaal 15 procent naar boven en beneden mag afwijken.

Als een munt structureel afwijkt van zijn spilkoers, kan dat reden zijn tot een officiële bijstelling van de spilkoers, zodat die de realiteit weer goed weerspiegelt. Omdat daar zulke enorme belangen mee zijn gemoeid, gaat zo'n 'herschikking' niet zonder zware vergaderingen. De laatste herschikkingsbijeenkomst ging eind vorig jaar over de herintreding van de lire in het EMS, waar op een zondag tot in de late uurtjes voor de beurs van Tokio maandag vroeg openging, werd gesteggeld over tienden van procenten van de spilkoers van de Italiaanse munt.

Dat dit steggelen toen zo lang doorging heeft te maken met een tweede beslissing van de ministers van financiën van afgelopen weekeinde: de spilkoersen “kunnen een rol spelen” bij het vaststellen van de wisselkoersen in de vergadering van mei volgend jaar. Dit om te voorkomen dat elke lidstaat in die vergadering ook nog eens in onderhandeling treedt over zijn wisselkoers. Het hanteren van de huidige spilkoersen zou een elegante oplossing zijn: de gevreesde discussie is dan gesloten voordat hij begon. Maar zijn de spilkoersen wel in overeenstemming met de onderlinge krachtsverhoudingen van de Europese munten?

Het antwoord daarop is vrijwel onmogelijk te geven. Pogingen zijn er genoeg, en het begrip 'koopkrachtpariteit' (purchasing power parity oftewel ppp) speelt daar een belangrijke rol bij. Volgens dit beginsel weerspiegelt een wisselkoers de koopkrachtverschillen tussen twee betrokken landen. Een volkomen willekeurig voorbeeld: stel dat er 1000 lire in een gulden gaan. Een pakketje boodschappen in Italië kost 10.000 lire, en in Nederland 10 gulden. Als Nederland vervolgens na een jaar geen inflatie heeft gekend, en Italië een inflatie van 10 procent, dan kost het pakketje nog steeds 10 gulden in Nederland, maar 11.000 lire in Italië. Volgens koopkrachtpariteit zou de lire moeten verzwakken, tot er 1100 lire in een gulden gaan. Zo is de onderlinge koopkracht via de wisselkoers weer hersteld.

Koopkrachtpariteit is niet alleen op basis van consumentenprijzen te berekenen. Er zijn berekeningen mogelijk op basis van uitvoerprijzen, groothandelsprijzen of loonkosten. Ook het jaar dat als uitgangspunt wordt genomen als basis voor een onderlinge prijsvergelijking telt mee: het kan net het begin zijn geweest van hoge inflatie in een land, terwijl datzelfde land twee jaar eerder juist een heel lage inflatie had die niet wordt meegerekend. Heel andere zaken spelen ook nog een rol: van het bestaan van een overschot of juist een tekort op de betalingsbalans, tot aan de reputatie van de nationale centrale bank en het financiële beleid van de overheid.

Toch zijn koopkrachtpariteiten niet te negeren. Vroeg of laat, zo luidt de theorie, zullen wisselkoersen er naar luisteren. De vraag is dus of de huidige spilkoersen in het EMS de onderlinge koopkrachtpariteiten weerspiegelen. De zakenbank MeesPierson wijdde er onlangs een onderzoek aan. Onderzocht werd de koopkrachtpariteit van elke Europese munt tegenover de Duitse mark, op basis van consumentenprijzen, de brede prijsindex van het bruto binnenlands produkt en uitvoerprijzen. Om helemaal compleet te zijn nam MeesPieson ook nog twee verschilende basisjaren voor de berekening, 1977 en 1987.

De uitkomst is dat de lire een goede waardering heeft ten opzichte van de mark. De Spaanse peseta, de Portugese escudo en de Oostenrijke shilling zijn licht overgewaardeerd tegenover de mark om 'eerlijk' in de euro terecht te komen. Het omgekeerde geldt voor de Belgische frank en de Franse franc: die moeten iets worden opgewaardeerd.

Al met al zijn de spilkoersen dus een prima leidraad voor de vergadering van mei. Slechts twee munten springen er uit: de gulden blijkt op de huidige koers van 1,12 gulden per mark zwaar ondergewaardeerd tegenover de Duitse munt. Een gulden per mark zou de verhoudingen beter weerspiegelen. De andere uitzondering is het Ierse pond, het punt. Dat noteert meer dan 10 procent boven zijn spilkoers, nadat de munt door de sterke waardestijging van het pond sterling mee omhoog is getrokken. Die waardestijging van 10 procent weerspiegelt volgens MeesPierson echter ook een ongeveer correcte verhouding met de Duitse mark.

Een revaluatie van de gulden, die eigenlijk zou moeten plaatsvinden, is politiek moeilijk denkbaar. Bovendien noteert de gulden precies op zijn spilkoers, en zou een revaluatie de munt met een schok duurder maken. Het punt noteert al hoog, zodat een revaluatie de koers alleen maar zou bevestigen. Grote kans dat Ierland en de rest van de EU, nadat het punt wat is teruggezakt, elkaar dit najaar halverwege die 10 procent tegemoet komen.