Doema steunt omstreden religie-wet

MOSKOU, 20 SEPT. Doof voor het protest van katholieken en protestanten hebben de leden van de Doema, de Russische Tweede Kamer, gisteren met 358 tegen 6 stemmen een omstreden religie-wet aangenomen.

Leden van religieuze minderheden in Rusland vrezen door de wet een beperking van de vrijheid van godsdienstuiting.

Onder druk van het Vaticaan en het Amerikaanse Congres had president Jeltsin in juli een veto uitgesproken over een eerdere versie van de wet, die volgens hem op gespannen voet stond met de Russische grondwet van 1993, die alle religies gelijkschakelt. Maar de 37 wijzigingen die presidentiële, kerkelijke en parlementaire raadgevers vervolgens hebben aangebracht, konden de bezorgdheid onder missionarissen, zendelingen en sekteleden niet wegnemen.

In een gezamenlijke oproep beschuldigden de leiders van de Pinkstergemeente, de Zevende Dags-Adventisten en de Katholieke kerk Jeltsin van het niet nakomen van zijn beloftes: “U heeft ons in juli verzekerd dat er rekening gehouden zou worden met onze bezwaren. Maar dat is niet gebeurd.”

De gewijzigde wet, die de zegen van Jeltsin heeft, “beschermt de Russisch-orthodoxe kerk, werpt een obstakel op voor totalitaire sekten en beperkt de manoeuvreerruimte van buitenlandse missionarissen”, aldus Viktor Zorkaltsev, die in de Doema de commissie voor godsdienstzaken voorzit. De Russisch-orthodoxe aartsbisschop Sergej reageerde verheugd omdat de wet “de komst van pseudo-religies verhindert”.

De meest omstreden, in essentie ongewijzigde clausule somt de beperkingen op voor “religieuze groepen”. Pas na vijftien jaar geregistreerde aanwezigheid in Rusland mogen zij in het openbaar prediken, drukwerk verspreiden en gebedsbijeenkomsten organiseren. Toegang tot staatsscholen en -ziekenhuizen wordt hun tot die tijd ontzegd, evenals het recht om zelf onderwijs op te zetten.

De wet onderscheidt deze groepen - zoals Mormonen en Jehova's Getuigen, die in de atheïstische Sovjettijd illegaal waren en dus niet geregistreerd stonden - van de gevestigde “religieuze organisaties”, waaronder de islam en het joodse geloof, die meer rechten genieten. Aanvankelijk vreesden niet-orthodoxe christenen bij de “groepen” ingedeeld te worden. Maar Jeltsins adviseurs hebben dat ondervangen door in de preambule te verwijzen naar het primaat van het christendom in het algemeen, en niet de orthodoxie.