De moeizame hervorming van de Goelag gevangenissen in Siberië; Gekooid in Gevangenis Nummer 1

Miljoenen slachtoffers van Stalin vonden er de dood of keerden als zombies terug. Nu proberen liberale juristen de Siberische strafkolonies in Krasnojarsk te hervormen. Iedere gevangene heeft jaarlijks een 'interne vakantie' van twaalf dagen en kan zelfs naar de kerk. Maar het gevangenispersoneel hecht nog aan tucht en de cellen lijken op varkensstallen. Frank Westerman bezocht als eerste journalist Gevangenis Nummer 1.

Als gekooide beesten lopen de ter dood veroordeelden van Krasnojarsk versuft en doelloos heen en weer. Zesendertig mannen met gemillimeterde koppen in dezelfde gevangenisoverall, nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Ze roken en ijsberen - drie passen vooruit, drie achteruit.

“Allemaal killers”, zegt een van de cipiers. Liever laat hij de honden zien, Duitse herders die de gevangenen op de vlucht moeten grijpen voordat ze door de wacht worden neergeknald. Of de varkens, die met toewijding op de binnenplaats worden vetgemest.

“We zijn een staat in een staat”, legt kolonel Aleksandr Sergejevitsj uit, de directeur van Gevangenis Nummer 1. “We bakken ons eigen brood, draaien onze eigen macaroni en produceren ons eigen vlees.”

Denk niet dat hij voor een eenvoudige opgave staat. In het cellencomplex waarover hij waakt is plaats voor zevenhonderd gevangenen. Maar in een land als Rusland, waar van de 150 miljoen inwoners één miljoen een straf uitzit (twaalf keer meer dan in Nederland), zijn woorden als 'plaats' en 'capaciteit' rekbare begrippen. Door zuinig om te springen met de ruimte is de kolonel erin geslaagd de capaciteit te verdrievoudigen, tot 2.100 bedden. Maar Sergejevitsj is geen slappeling, die bang is voor een gevangenisoproer. Hij vindt dat hij de huidige populatie van 3.100 zielen met gemak aan kan. “Vorig jaar hadden we een record, toen zaten hier 4255 gevangenen”, zegt hij trots.

Ratten en muizen in overbevolkte kooien bijten elkaars staart af; wolvinnen worden vanzelf niet meer loops als hun troep te talrijk is, maar wat gebeurt er met mensen die te dicht op elkaar gepakt zitten? Gemiddeld is er voor iedere bewoner van Gevangenis Nummer 1 anderhalve vierkante meter. Maar er zijn ook cellen die zo krap zijn dat niet iedereen tegelijk kan zitten. Wie zijn oog voor het luikje in de stalen deur houdt, als voor een kijkdoos, werpt een blik in de hel: zwetende, kaalgeschoren jongens met blote bovenlijven zitten of hangen tegen elkaar of tegen de muren. De lijders aan venerische ziekten zijn bij elkaar gepropt, en overal hangt een vage pislucht. Er is een rij cellen zonder wc's, met alleen houten vlonders op de grond, zodat de urine over de betonnen vloer kan weglopen - net als in de varkensstallen.

“Op deze gang verblijven ze hooguit een dag”, zegt de kolonel vergoelijkend. “In afwachting van het verhoor.”

Het verhoor? Ja. Gevangenis Nummer 1 is een huis van bewaring, waar - op de ter dood veroordeelden na - alleen verdachten worden vastgehouden van wie nog niet vaststaat of ze schuldig zijn. Hadden zij werkelijk die winkel overvallen of die brand gesticht? Of waren ze als toevallige passanten ten onrechte opgepakt? In de praktijk krijgt een op de drie uiteindelijk vrijspraak, maar voor het zo ver is, zijn hun levens al geknakt. In de volksmond heet Gevangenis Nummer 1 het 'Stalincentrum'. Het komt voor dat onschuldigen hier twee jaar wachten tot hun zaak voorkomt, dat ze twee jaar voor niets zitten.

Zeker in Siberië, waar miljoenen slachtoffers van Stalin in strafkolonies de dood vonden, valt het niet mee te breken met de traditie van het Goelag-systeem. Zelfs al zijn de nieuwe machthebbers van goede wil. In Krasnojarsk, vier tijdzones ten oosten van Moskou en niet ver van de grens met Mongolië, heeft een handvol strafrechthervormers het roer van de communistische apparatsjiks overgenomen. Het gaat om verlichte, op het Westen georiënteerde juristen, zoals vice-gouverneur Aleksandr Oess die gepromoveerd is op een voor Sovjetbegrippen ondenkbaar thema: de humanisering van het gevangeniswezen.

Om de daad bij het woord te voegen was Oess vijf jaar geleden begonnen met hervormen en nu durft hij het aan om buitenlandse gasten rond te leiden. President Jeltsin zelf wees de weg door Rusland aan te melden bij de Raad van Europa, een verbond van zo'n dertig landen met onderlinge afspraken over de naleving van de rechten van de mens. Vlug heeft hij vorig jaar nog 53 misdadigers laten executeren om daarna een stop af te kondigen op de voltrekking van het doodvonnis (met als gevolg dat de ter dood veroordeelden nog jaren zullen roken en ijsberen). En ter voorkoming van een 'sociale explosie' in de overbevolkte gevangenissen wil Jeltsin aan 35 duizend minder zwaar gestraften amnestie verlenen.

In midden-Siberië nodigt vice-gouverneur Oess op zijn beurt een handvol vertegenwoordigers van de Raad van Europa * uit. Hun gastheer voor een week is de regionale inspecteur van het gevangeniswezen: generaal-majoor Vladimir Sjajesjnikov. “Wij hebben het recht niet om gevangenen als vee te behandelen”, zegt de inspecteur bij de eerste kennismaking. Zijn hele gedrongen postuur straalt kracht uit. Hij is gedreven en gedisciplineerd en praat op commando-toon in zijn mobiele telefoon. “Tot voor kort was het regime in één woord draconisch. Maar nu vragen we ons af: waar dient dat toe? Waarom zou je een limiet stellen aan het aantal briefkaarten dat een gevangene mag ontvangen of versturen? Waarom? De ideologie van de Goelag is mensonterend. Wij streven naar een gevangenissysteem met een menselijk gezicht.”

Inspecteur Sjajesjnikov laat een busje van het gevangeniswezen voorrijden. De tocht voert langs een Lenin-standbeeld en door een straat die Dictatuur van het Proletariaat heet, als om te benadrukken hoe ver Krasnojarsk verwijderd is van het epicentrum van de vernieuwingen, Moskou. “Ik speel open kaart”, zegt de excursieleider, die voorin naast de bestuurder heeft plaatsgenomen. “Jullie krijgen te zien wat je maar wilt. En denk niet dat we ook maar iets voor jullie komst in scène hebben gezet.”

Soep

Op de geasfalteerde appèlplaats van Vrouwengevangenis 22, de eerste stop op de gevangenistoer, hangt niettemin een onwezenlijke sfeer. Om te beginnen is er geen mens te bekennen. Alleen is daar de directeur, een man met strakke gelaatstrekken en een getrimd Italiaans snorretje. Hij introduceert zichzelf met de woorden: “Ik ben opgegroeid met het oude gevangenissysteem. Niet ik, maar het systeem is veranderd.”

Generaal Sjajesjnikov vult aan: “Wie had tien jaar geleden kunnen bedenken dat wij in de gevangenissen kerken zouden bouwen?”

Tussen de plassen op het terrein staat om de tien meter een bewaker met een paraplu in de aanslag. Die kant op, wijzen ze. Tot aan een woonkazerne van rode baksteen hebben zij een pad uitgestippeld waar niet van afgeweken mag worden. De haag van geuniformeerd gevangenispersoneel vormt tegelijk een cordon sanitair om de bezoekers af te schermen van diegenen om wie het gaat. Komen er vrouwen uit nieuwsgierigheid dichterbij, dan worden ze met een ksst! ksst! weggejaagd. Loopt een delegatielid linksaf in plaats van rechtsaf, dan leidt een toegesnelde bewaker hem snel terug naar de groep.

Wat er gezien mag worden is de keuken, waar moekes met schorten in enorme soepketels roeren. De soep mag geproefd. Moet geproefd. Inspecteur Sjajesjnikov neemt zelf de eerste hap. “Hmm”, zegt hij. “Niets mis mee.” De directeur lacht en maakt zich breed.

Maar waar zijn de gevangenen? Het moeten er 1070 zijn, stuk voor stuk recidivisten die meerjarige straffen uitzitten. Ze zijn niet in het kerkje, niet in het naaiatelier, niet in de ziekenboeg, niet in de eetzaal - waar wel op elke tafel een vaasje verse bloemen staat.

“Aha, jullie willen met de gevangenen praten”, reageert de directeur verrast. “Geen probleem.” Hij stapt naar buiten en opent een (“willekeurige”, zegt hij) deur van de woonkazerne. Het portaal is geboend en geschrobd als het dek van een cruise-ship. Boven aan de trap hangt aan een prikbord een ongekreukte folder over “De Rechten van de Gedetineerde”. Zo'n veertig bloednerveuze gevangenen wachten in het recreatiezaaltje aan het einde van de gang. Zwijgend staren ze naar een sneeuwende zwart-wit televisie. Een vrouw met kortgeknipte, geblondeerde haren kijkt schichtig heen en weer. Tamara heet ze. Ze is vijftig en verslaafd aan drugs. Veroordeeld tot acht jaar cel. Staat ze al lang te wachten? “Drie uur', zegt ze. “We hadden jullie eerder verwacht.” En terwijl de directeur in een hoek van het zaaltje herhaalt dat er niets speciaal voor het buitenlandse bezoek is geprepareerd, fluistert Tamara in de andere hoek dat de voorbereidingen en repetities twee weken in beslag hebben genomen. Meer tijd om met haar te praten is er niet. “Die kant op”, klinkt het. Als een van de bezoekers naar het raam loopt, voelt hij ineens de hand van een bewaker op zijn onderarm. Mag hij soms niet naar buiten kijken? “Jawel, maar pas op: de vensterbank is nog nat.”

Heeft de gevangenisdirecteur zoveel te verbergen? In zijn ijver om zijn gasten het beste van het beste te laten zien, ontneemt hij hun het zicht op wat er werkelijk aan de hand is. Misschien is er grote vooruitgang geboekt, misschien heerst er terreur in Vrouwengevangenis 22. Wie zal het zeggen? In ieder geval wortelt de mentaliteit van het personeel nog stevig in het verleden. Vroeger liepen de lokale autoriteiten zich ook het vuur uit de sloffen als de partijleider een kolchoz of een fabriek wilde bezoeken. Dan werd er om het hardst gevolksdanst en gezongen en na afloop was er een overdadig banket. Naar die traditie gemeten is er in de Siberische strafinstellingen absoluut niets veranderd, want aan het einde van de rondgang wacht een met kaviaar en wodka overladen tafel, plus een optreden van het gevangenis-zigeunerkoor. “Dochters van de Vrijheid”, noemen ze zich, maar de spot van die naam lijkt de directeur te ontgaan. Onderuitgezakt kijkt hij toe hoe de danseressen hun cirkelrokken steeds hoger en heftiger laten zwieren, hoe hun hakken op de planken vloer roffelen, hoe een nachtclubzangeresje met weemoed zingt over onmogelijke romances en zwarte rozen. Totdat hij het genoeg vindt en ingrijpt. De voorstelling is ten einde, het avondmaal begint.

Om de beurt brengen de inspecteur en de directeur een toast uit. Op elkaar, op de gasten, op de vrouwen in het algemeen. “Vaak heb ik mij afgevraagd hoe mijn vriend de directeur het voor elkaar krijgt dat 1.070 vrouwen in aanbidding aan zijn voeten liggen”, schertst inspecteur Sjejesjnikov. Na vijf wodka's wordt hij sentimenteel. Hij haalt herinneringen op aan de Breznjev-tijd, toen de directeur en hij tegelijk hun loopbaan waren begonnen als opzichters in een strafkolonie voor politieke gevangenen, ver weg in de bossen langs de rivier de Jenisej. “Er waren daar geen wegen of paden. In de winter kon je er alleen komen met de paardenslee. Het was een mooie, maar harde tijd.”

Ontspannen, zonder kolonelspet, lijkt de directeur een aimabel mens. Hij pulkt aan zijn snorretje, vecht tegen zijn tranen. Dan pakt hij zijn accordeon en zingt een gevoelig patriottisch lied. Als hij even later op het balkon een sigaretje staat te roken, met uitzicht op de dubbele gevangenismuur met rollen prikkeldraad en wachttorens, zegt hij: “Politieke gevangenen zijn er in Rusland niet meer. Als iemand hier voor de poort de president uitscheldt, mag ik hem niet opsluiten. Dat is niet goed. Dit land heeft een sterke leider nodig. Onder Peter de Grote en Stalin werd er tenminste gebouwd, maar nu, met Jeltsin, ligt alles op zijn gat.”

Ja, De Goelag Archipel heeft hij gelezen. “Maar als man van de praktijk moet mij van het hart: die Alex- ander Solzjenitsyn overdrijft! Hij onderschat de zuiverende werking van lichamelijke arbeid in gevangenschap.”

Wandelend geraamte

Joeri Boelgakov, of beter: de schim die van hem over is, heeft 26 jaar in Siberische werkkampen gezeten en kent het Goelagsysteem van binnenuit. Als overlevende van de communistische terreur is hij deze zomer in het kapitalistische Rusland aangespoeld. Zijn wereldlijk bezit bestaat uit de kleren die hij aan heeft, een handspiegeltje, tandenborstel, scheermesje, een longfoto zonder sporen van tuberculose (in Rusland lijden 25 duizend gevangenen aan open tbc), een ontslagbriefje van de strafkolonie waar hij heeft gezeten en een zwart-wit foto van zichzelf in een gestreept boevenpak.

Op zijn vijftiende was Joeri voor het eerst opgepakt, omdat hij een fiets had gestolen. Toen hij na vier jaar in zijn geboortedorp terugkwam, voelde hij zich verstoten. Zonder geld op zak ging hij naar Krasnojarsk, en ja, daar was hij opnieuw betrapt op diefstal. Joeri, schriel en verlegen, vertelt zijn verhaal met een grote gelatenheid. Hij is 41 jaar. Zijn ouders zijn gestorven toen hij als dwangarbeider in de afgelegen houtzagerij werkte, en zijn broers en zussen zijn onvindbaar. De kou en de honger hadden van Joeri een wandelend geraamte gemaakt. Op een winterdag in 1979 was hij iets te lang in de kantine blijven plakken, waardoor hij te laat op het appèl verscheen. Toen de opzichter hem verrot begon te schelden, vloog Joeri hem naar de strot. “Ik deed het in een opwelling”, zegt hij. De bewakers ranselden hem ter plekke af, ze trapten en sloegen op zijn ribbenkast, zodat de 'gevaarlijke crimineel' nog weken in de ziekenboeg lag te herstellen. Drie van Joeri's kameraden pleegden in die tijd zelfmoord, maar zelf had hij daartoe de kracht niet. Hij hield zich gedeisd en moest nog jaren horen dat hij 'een extreem gevaarlijk element' was.

Toen hij na een kwart eeuw vrijkwam, duwden ze hem een enkeltje voor de elektritsjka, de elektrische trein, in handen. Joeri stapte uit op het station van Krasnojarsk en was daar gaan wonen. “Mijn roebels raakten op en ik stond op het punt om weer te gaan stelen', zegt hij - zittend op de rand van zijn bed in een speciaal opvanghuis voor ex-gevangenen.

Het Centrum voor Sociale Adaptatie, een twee jaar geleden genomen initiatief van vice-gouverneur Oess, is althans in Siberië enig in zijn soort. Het ligt op een rommelig industrieterrein op de oever van de Jenisej. 32 bezitloze mannen, die na onwerkelijk lange straffen als zombies onder het volk zijn teruggekeerd, krijgen hier kost en inwoning. In een van de barakken heeft psychologe Marina een wegdroomkamer ingericht, waar de psychotische gevallen tot rust kunnen komen. Zittend in luie stoelen kunnen ze uren naar de stoplichten kijken, die aan de muur hangen. Rood, oranje, groen. Ook zijn er lichtkasten met plaatjes van verre palmstranden en watervallen, en er is een aquarium.

Op voorwaarde dat de ex-gevangenen niet naar de fles grijpen, helpt het Centrum bij het vinden van werk en het speuren naar verloren familieleden. “Wij bieden ze een laatste kans”, zegt de met vele lintjes gedecoreerde directeur, Vladimir. “Maar die grijpen ze niet. De ex-gevangenen zijn lui; op het werk stelen ze gereedschap om dat te ruilen tegen een fles wodka. De meesten zijn te lusteloos om een nieuw leven te beginnen.”

Het besef dat een samenleving zoveel verwoeste levens gewoon niet aan kan, noopt de bestuurders van Krasnojarsk tot diepere ingrepen. Alleen nazorg bieden is niet genoeg. In de overvolle gevangenissen voelen de bewaarders zich vaak in het nauw gedreven, bedreigd. Het oproer in Heropvoedingskamp 6 ligt nog vers in het geheugen, ook al vond het vier jaar geleden plaats. Vierduizend lang-veroordeelden die onder een 'zwaar regime' meubels en schoenen produceerden, waren in oktober 1993 in opstand gekomen. Met een aantal cipiers als gijzelaars hielden ze het hele gevangenisterrein, inclusief de fabrieken, veertig dagen bezet. Hun eis: een minder barbaarse behandeling. Maar onder aanvoering van de mannetjesputter Sjajesjnikov, de gevangenisinspecteur, antwoordden de binnenlandse veiligheidstroepen met een bestorming van het complex. Eigenhandig bestuurde Sjajesjnikov de bulldozer die de gebarricadeerde poort ramde, en hoewel er bij de overval geen doden vielen, was de baas van het gevangeniswezen na afloop tot inkeer gekomen. Nadat de rust was weergekeerd werd de populatie van Heropvoedingskamp 6 teruggebracht van vier- naar tweeduizend. Iedere gevangene kreeg voortaan een 'interne vakantie' van twaalf vrije dagen per jaar, die hij mag doorbrengen met tafeltennis of tv-kijken. Een andere verworvenheid is dat de temperatuur in de isoleercellen op achttien graden wordt gehouden, zodat het binnen niet vriest. Zelfs niet tijdens de strengste Siberische winters.

Maar: de miniemste verbetering in het lot van de 'a-sociale elementen' stuit buiten de gevangenismuren op weerstand. Generaal-majoor Sjajesjnikov zegt dat hij met zijn hervormingen voor de muziek uitloopt. “Hoe vaak hoor ik niet: Die gevangenen hebben het beter dan wij! Ze krijgen te eten, een dak, een bed, terwijl niemand zich om ons bekommert!” Nog overheerst in Rusland het idee dat misdadigers moeten boeten, dat ze een beestachtige behandeling verdienen. Nu de pensioenen en de lonen niet of slechts met grote vertraging worden uitbetaald, geeft elke gemeenschapsroebel besteed aan het 'humaniseren' van de gevangenissen in principe aanleiding tot een politiek schandaal. Ook de onderbetaalde staf van bewaarders en koks en chauffeurs ziet niet in waarom ze de leefomstandigheden van gevangenen zouden moeten verbeteren, terwijl zijzelf en hun familie nauwelijks kunnen rondkomen.

Zo ook wil praktisch geen advocaat tegen de minimale staatsvergoeding een gevangene bijstaan. Liever adviseert hij de nieuwe klasse der ondernemers, of zet hij zelf een handeltje op. Rechters en aanklagers in Rusland verdienen zo weinig, dat ze er vaak een of twee andere banen bij hebben. Soms komen ze op de zittingsdag niet opdagen. Het gevolg is dat de dossiers zich gestaag opstapelen en de huizen van bewaring uitpuilen: van de 40.500 opgeslotenen in de regio Krasnojarsk zit eenderde in voorarrest.

Het probleem is zo nijpend, en er wordt zo weinig aan gedaan, dat het gouvernement helemaal niet van plan is om de bezoekende delegatie in Gevangenis Nummer 1 toe te laten. “Er is daar nog nooit een buitenlander geweest”, zegt generaal Sjajesjnikov - maar dat is geen argument om de deur gesloten te houden. “Misschien kunnen jullie niet tegen de stank”, probeert hij nog. Na lang aandringen stemt hij in met een haastig ingelast bliksembezoek, op voorwaarde dat de fotograaf niet mee gaat. Waarom - dat wordt gauw genoeg duidelijk. Beelden van de ter dood veroordeelden die versufd in kooien heen en weer lopen zouden een schandaal kunnen veroorzaken.

De oudste vleugel van Gevangenis Nummer 1 dateert van 1827, de jongste van 1861. De gangen zijn gewelfd en donker met aan weerszijden zware metalen celdeuren, gevolgd door ouderwetse tralies. Er klinkt gestamp van cipierslaarzen en gerinkel van sleutelbossen en handboeien. Sinds de tijd van de tsaren zijn de kaarsjes vervangen door peertjes, meer is er zo op het oog niet veranderd. Zelfs de mentaliteit van de bewaarders doet negentiende eeuws aan. “Gedraag je! Wat denk je wel”, snauwen ze tegen een gevangene, die om een buitenlands visitekaartje vraagt. Sjajesjnikov had gewaarschuwd: het gevangenispersoneel is weinig meelevend. Hun wereld bestaat bij de gratie van de tucht, als enig middel om de orde in de overbevolkte bajes te bewaren. Om de geringste overtreding van de huisregels sluiten ze de gevangenen op in de isoleercellen, die alleen via een vochtige, onderaardse gang te bereiken zijn. Daar zit Aleksej, een jongen van een jaar of twintig, verdacht van drugsgebruik. Waarom is hij in deze middeleeuwse kerker gegooid?

“Kaartspelen!”, legt een cipier hem in de mond. “Zeg: Kaartspelen!” vult een ander aan. Aleksej kijkt op en zegt nabauwend: “Kaart-spe-len.”

Ook zijn buurvrouw, de 21-jarige Katja, is nog niet gebroken. Haar fel rood gestifte lippen steken scherp af bij haar smerige gevangenisoverall. Een lipstick behoort tot haar schaarse persoonlijke bezittingen. Terwijl ze snerende opmerkingen maken (“toe dan, nu kun je klagen over de schending van je mensenrechten”) halen de bewakers haar uit haar cel.

“Sinds 25 mei zit ik hier”, zegt ze. “Ik word verdacht van overtreding van artikel 158.”

“Diefstal”, leggen de bewakers uit. “Ze is een dievegge.”

“Ik ben onschuldig!”

“Ha, ha, dat zeggen ze allemaal. De rechter zal je uitlachen.”

Katja wordt teruggeduwd in haar krappe cel zonder daglicht, met alleen een poepgat, een kraan en een metalen krukje. Zeven dagen achtereen mag ze zich niet verschonen - dat hoort bij haar straf.

* Een van de delegatieleden van de Raad van Europa is de universitair hoofddocent strafrecht Anton van Kalmthout van de Katholieke Universiteit Brabant. Deze week schrijft hij het Hollands Dagboek (p. 7).