De bankjes van een guerrillastrijder

Vito Acconci: 'Park aan het Water', project bij de Haagse Hogeschool (achter station Hollands Spoor). Tentoonstelling van Acconci's video's en films 1969-1976. bij Stroom, Haags centrum voor beeldende kunst, Spui 193-195, den Haag. T/m 10 januari. Geopend di t/m za 12-17 uur.

Wie op een van de halfronde stenen bankjes zit, op een eiland in het water tegenover de nieuwe Haagse Hogeschool, zal niet beseffen dat hij zich in een kunstwerk bevindt. En zeker niet in een kunstwerk van Vito Acconci (New York), de, in zijn eigen woorden, 'guerrillastrijder' die zich ten doelt stelt om met zijn kunst de gevstigde orde te ondermijnen. Hoogstens valt op dat het grondoppervlak merkwaardig zijwaarts helt: aan de achterkant van het eiland naar beneden, bijna het water in, en aan de voorkant, richting Hogeschool, in een punt omhoog. De lantaarnpalen en pas aangeplante boompjes op het eiland hellen mee. Maar dit alles is nauwelijks vreemder dan bijvoorbeeld de asymmetrische daklichten van architectenbureau PRO op het gebouw aan de overkant van het water. We zijn gewend geraakt aan de scheve, hellende en zwevende foefjes van de postmoderne architectuur.

Acconci's project, zoals het nu is uitgevoerd, is maar een fractie van het voorstel dat hij jaren geleden indiende. Dit voorstel was onhaalbaar, zoals hij zelf ook wel wist. Het zou 10 miljard hebben gekost en het hele gebied rond de Hogeschool zou ontoegankelijk zijn geworden voor het verkeer. Dat was ook wat Acconci beoogde. In zijn projecten voor de openbare ruimte uit de afgelopen tien jaar streeft hij naar een verstoring van het gebied. Hij wil mogelijkheden voor afzondering creëren, voor intimiteit en kleinschaligheid. Hij wil de openbare ruimte, die hij beschouwt als een vorm van bureaucratische terreur, 'teruggeven aan het publiek'. Bijvoorbeeld door reusachtige oesterschelpen in een park waarin mensen zich terug kunnen trekken; of door een invasie van bomen die de trappen naar een school opwandelen en binnenkomen in de hal, of een 'gat' middenin een grote vijver met een wenteltrap naar een bunker onder het wateroppervlak met plaats voor twee personen.

Vanaf het einde van de jaren zestig houdt Acconci zich al bezig met het aftasten van de grenzen tussen het publieke en het private. Bij Stroom, het Haags centrum voor beeldende kunst dat het Hogeschool-project heeft geïnitieerd, heeft Acconci een overzichtstentoonstelling ingericht van de video's en 8 mm- filmpjes die hij gemaakt heeft van 1969 tot 1976. Acconci geldt als een van de pioniers van de videokunst. De oorsprong van de videokunst ligt bij het registreren van performances en van body art-manifestaties. Voor de performance Claim had Acconci zich bijvoorbeeld verschanst in een kelder. Op de zwart-wit video, die eruit ziet als het nonchalante, ongeregisseerde beeld op een bewakingsmonitor, zit Acconci geblinddoekt met een koevoet te zwaaien. Drie uur lang dreigde hij iedere indringer met de koevoet te lijf te gaan, en hiertoe prevelde hij drie uur lang zelfhypnotiserende zinnetjes die hem tot agressie aan moesten zetten: 'I want this space to be all mine/I have to keep anybody out of here/I want to really mean this' enzovoort. In andere video's probeert de kunstenaar juist om de afstand met de kijker te overbruggen. Bijvoorbeeld door de kijker te verleiden met zijn lichaam en zijn stem.

Paul McCarthy en Mike Kelley hebben onlangs als een hommage aan Acconci een remake van een aantal van zijn video's gepresenteerd in het Van Abbemuseum. Dit werk is nu ook te zien bij Stroom. Een vergelijking tussen hun adaptatie en de originele video's levert een prachtig beeld op van de verschillen tussen de kunst van de jaren zeventig en die van de jaren negentig. Bij McCarthy en Kelley wordt de koevoet gehanteerd door een naakte jonge vrouw met lang zwart haar, gezeten boven aan de trap in een luxueuze Iltaliaanse villa; en niet de kunstenaars, maar een naakte actrice, uitgestrekt op een vacht voor een open haardvuur, probeert de kijker te verleiden. Terwijl Acconci zijn teksten improviseerde en daadwerkelijk een experiment uitvoerde, zijn Acconci's teksten nu door de acteurs uit het hoofd geleerd en is het oprechte experiment vervangen door theater en parodie. De werkelijkheid, met alle klungeligheid en gestamel vandien, heeft plaats gemaakt voor een glitterende show. Wie ooit een illustratie zoekt voor de verschillen tussen modern en postmodern, krijgt het hier op een presenteerblaadje aangereikt. Het blijkt moeilijk kiezen tussen de twee: de video-experimenten van Acconci hebben zichzelf overleefd en verrassen niet meer, maar de lege fotomodellenwereld van McCarthy en Kelley biedt ook geen perspectief. Het doet hunkeren naar een synthese tussen deze twee uitersten.

Acconci intussen is trouw gebleven aan de werkelijkheid, en wel op een zó radicale manier dat hij hierom bewondering verdient. De ultieme consequentie is immers dat de kunstenaar, met video en al, in die werkelijkheid opgaat en dat het kunstwerk als zodanig niet meer te herkennen is. En dit is precies wat er is gebeurd, zoals het project in Den Haag laat zien. Voor Acconci is dit geen probleem. Hij walgt, zo zegt hij, van de 'kunstwereld-hiërarchie' waarbij de kunstenaar verheven is boven de beschouwer en de kunst functioneert als religie met de kunstenaar als priester. De kunst moet dienstbaar zijn aan het publiek, en of het dan nog kunst is of iets anders wat hij maakt, dat doet er niet toe. Hiermee past Acconci in een nieuwe tendens die goed zichtbaar is geworden op de grote beeldhouwkunst-tentoonstelling in Münster deze zomer. Ook andere, ooit rebellerende kunstenaars als bijvoorbeeld Daniel Buren, stellen zich nu ten doel om in samenwerking met architecten en publiek te komen tot voor iedereen aanvaardbare en prettige oplossingen voor het verschijnsel van de kunst in de openbare ruimte. Er ontstaat hiermee een nieuwe categorie van 'kunstenaar-vormgevers' die meewerken aan de inrichting van de stad. Architect Hans van Beek van bureau PRO noemt dit 'het werk daar voort zetten waar de architect ophoudt'. Misschien is dit wel een ontwikkeling die inderdaad zal bijdragen tot een betere leefomgeving.

Toch betreur ik het dat Acconci in Den Haag niet iets meer van zijn oorspronkelijke plan heeft doorgezet, zodat beter zichtbaar zou zijn dat hij in feite een stuk land heeft afgehakt en in het water heeft doen belanden. De angel is nu aan het werk ontnomen. Heeft Acconci zich hier, met al die keurige bankjes die een coating tegen graffiti hebben, uiteindelijk toch niet geconformeerd aan de bureaucratische macht die hij juist wilde bestrijden?