Altijd een tien

De uitvaartdienst voor prinses Diana kreeg van de Nederlandse televisiekijkers een 8,2. In de stem van de onderzoeker van de NOS die het nieuws in het Radiojournaal mocht vertellen klonk enige opwinding, want dit was volgens hem een heel hoog waarderingscijfer, om niet te zeggen zeldzaam hoog.

Ik vroeg me af wat de kijkers niet was bevallen en hen puntjes had doen aftrekken van de 10 die ze toch ook hadden kunnen geven. Als zij nu in het kader van een werkevaluatie de technici hadden moeten beoordelen kan ik me daar nog wel iets bij voorstellen. Net iets te lang ingezoomd op de kerkramen, het shot gemist van de broer die zijn zakdoek pakt, de belichting van Elton John te zwak. Dan moet er steeds een half puntje af. Maar wat maakte de inhoud van de kerkdienst net niet helemaal uitmuntend? Zongen de koorknaapjes niet zuiver? Hadden er meer bloemen op de kist moeten liggen? Keek de koninklijke familie niet droevig genoeg? Ik probeer me in te denken in iemand die zo'n cijfer moet geven, maar mijn voorstellingsvermogen schiet tekort.

De kwantificering ging nog verder. Er hadden 4 miljoen mensen gekeken en dat was volgens de onderzoeker toch wel een record te noemen. Want naar de begrafenis van koning Boudewijn, óók in de zomer, óók op een zaterdag, keken maar 3 miljoen mensen. Hij zei het niet, maar zo klonk het wel: prinses Diana had gewonnen.

Men heeft het regelmatig over “sprekende cijfers”. Maar cijfers zeggen vaak zo weinig of zelfs helemaal niets. Als volgens een onderzoek van het Radiojournaal 65 procent “paars terug wil”, maar van de ondervraagde groep 70 procent niet weet dat mevrouw Borst een van de drie paarse lijsttrekkers is, kun je over dat eerste percentage toch maar beter zwijgen? Het gegoochel met cijfers is een ontkenning van de menselijke taalrijkdom, want met woorden zijn zo veel meer schakeringen aan te brengen. Medelijden bij het zien van verdriet, kwaadheid bij onoprechtheid, ontroering bij schoonheid, ergernis bij vals sentiment. Kijkers zouden wat zich in Westminster Abbey afspeelde allemaal zo mooi hebben kunnen beschrijven, maar nee, gemiddeld waarderingscijfer 8,2.

De cijfermatige benadering hechtte zich in mijn hoofd aan een ander voorbeeld dat mij al enige tijd vragenderwijs bezighoudt. Het heeft te maken met de Amsterdamse Westerkerk, die ik met enige regelmaat bezoek. Binnen de gemeente heerst een conflict dat voor mij na iedere berichtgeving in de krant en elke ingezonden brief erover onduidelijker wordt. Het komt er, geloof ik, op neer dat een kleine groep het niet eens is met de komst van de nieuwe dominee, die door de beroepingscommissie unaniem is gekozen en met steun van de meerderheid is bevestigd. De groep had een ander op het oog en met roddel en achterklap probeert men de nieuwe dominee alsnog weg te krijgen. Dat is niet fatsoenlijk en al helemaal niet christelijk, maar het gaat vooral ook in tegen de traditionele Nederlandse kerkcultuur. De groep behoort zich af te scheiden en samen met de door hen begeerde dominee een eigen kerkgenootschap te stichten. Zo zijn wij dat in domineesland gewend.

In het allereerste krantenbericht erover werd kwantificerende kritiek op de nieuwe dominee - mevrouw Oosterwijk - geleverd, de kerk is minder vol dan voorheen: “Waar gaat het naar toe met de Westerkerk, waar het bij Ter Linden en zijn voorganger Visser ooit stampvol was,” Afgezien van het feit dat ik het verminderde kerkbezoek met het blote oog niet heb kunnen constateren, stel dat het wel waar zou zijn, zou dat dan erg zijn? Is de waarde van een kerk uit te drukken in het aantal bezoekers? Sommigen aan wie ik die vraag voorleg zeggen “ja”, maar die zijn dan ook meestal niet gelovig en bekijken de zaak praktisch, als was het een hotel of restaurant - bij leegloop zijn op den duur het onderhoud en de dominee niet meer te betalen. Bij bijvoorbeeld bioscoop en theater is een dergelijk standpunt al moeilijker vol te houden. De waarde van cultuurgoed is niet af te lezen aan de hoeveelheid publiek die komt kijken of luisteren. Een zeker minimum moet er natuurlijk zijn, maar is “stampvol” het hoogste streefdoel voor een kerkelijke gemeente?

De voorganger van dominee Oosterwijk, dominee Ter Linden, heeft zoals dat heet de gave van het woord en is een begenadigd communicator, zowel in het preken als in het schrijven. Daarmee heeft hij volle kerkzalen getrokken, evenals een grote lezersgroep. Maar wat moet ik nu denken van gelovigen die wegblijven omdat de nieuwe dominee wellicht net iets minder uitmuntend begaafd is - zij het dat ik haar toch bij herhaling ware, wijze woorden heb horen spreken?

Misschien heb ik makkelijk praten. Ik heb van kindsbeen geleerd dat je nooit om de dominee naar de kerk moet gaan. “Daar komt alleen maar haat, nijd en afgunst van”, zei mijn vader, en zelfs de houterigste predikant kon op zijn gehoor rekenen, als die nu eenmaal een preekbeurt had in onze kerk. Een goede preek is mooi meegenomen, maar niet essentieel. Het wezenlijke zit in de schriftlezing - en mooier dan het in de Bijbel staat kan dominee het toch niet zeggen - de lofprijzing en het bidden. Wie dat in de Westerkerk mag meemaken, zit in het prachtige licht dat door de ramen naar binnen stroomt, wat voor weer het buiten ook is. Altijd als was het de ochtend van de eerste scheppingsdag. Altijd een 10.