'Als het moet sla ik keihard terug'; Fysicus Ad Lagendijk bepleit kleinschalig onderzoek

In de vaste-stoffysica kan het er hard aan toegaan, ervoer Ad Lagendijk. Om zijn ontdekking aan de man te brengen moest hij alle registers opentrekken. 'Als je je baby niet verdedigt, ben je haar kwijt.'

'NATUURLIJK IS ER niets op tegen als de maatschappij nut wil”, zegt Ad Lagendijk, 'universiteitsprofessor' in Amsterdam en mede door zijn columns in de Volkskrant de luidruchtigste fysicus van Nederland. “Alleen: de maatschappij kampt met grote problemen. Grote problemen zijn onoplosbaar. Als we het energievraagstuk konden oplossen deden we het direct, maar we zien het niet. Wetenschappers moeten zich niet willen vertillen. Wetenschappers zijn fenomenaal in het oplossen van kleine problemen. Zet honderd natuurkundigen extra op het weer en de weersverwachting wordt er niet beter van. Als wij zeggen: wij willen die grote problemen niet, dan zeggen we eigenlijk: wij willen jullie geld niet over de balk smijten.”

Lagendijk houdt zich als experimenteel natuurkundige bezig met het gedrag van licht in witte verf. In 1996 werd hij als eerste Amsterdamse hoogleraar vrijgesteld van bureaucratische plichtplegingen, “tot genoegen”. Op het Van der Waals-Zeemanlaboratorium heeft hij inmiddels de grootste kamer, met zijvertrek en toilet en aan de muur een gesigneerde foto van Pieter Zeeman. “Wees gerust”, zegt hij lachend, “de weelde is van korte duur, over een paar jaar verhuizen we naar de Watergraafsmeer en ga ik terug naar 18 vierkante meter. Een wastafel zit er dan niet meer in.”

Na zijn promotie in 1974 vond Lagendijk onderdak bij de universiteit van Antwerpen. “Voor mijn baan was aanvankelijk geen geld”, herinnert hij zich. “Het eerste jaar werd ik betaald door de Antwerpse diamantindustrie en deed ik toegepast werk. Ik onderzocht diamanten met een techniek die nu bij het maken van hersenfoto's wordt toegepast. Sommige diamanten zijn rood en dat kan authentiek zijn maar ook het gevolg van bestraling in een kernreactor. In het laatste geval zitten er beschadigingen in het kristalrooster die ik kon zien. Omdat rode diamanten veel geld waard zijn, waren potentiële kopers in die kennis geïnteresseerd.”

Na zeven jaar keerde Lagendijk terug naar Amsterdam. Faam verwierf hij zich met zijn inaugurele rede: De arrogantie van de fysicus (1991). In dat polemische geschrift nam Lagendijk het superioriteitsdenken van de hoge-energiefysica op de korrel. Die club zou het intellectuele primaat opeisen en dat vond Lagendijk hoogmoed. “Ik ben opgeleid als chemicus en weet hoe wetenschap barst van de hiërarchie. De fysich chemicus voelt zich beter dan de organisch chemicus. Die waant zich weer boven de analytisch chemicus. Fysici voelen zich beter dan chemici. Theoretisch fysici staan boven experimentatoren. En helemaal aan de top, hoger dan de statistische fysica of vaste-stoffysica, bevindt zich de fysica van de elementaire deeltjes. Mij best. Maar wat niet vergeten moet worden is dat fysici vaak hoog te paard worden gezet. Mensen buiten de wetenschap vinden natuurkunde interessant omdat het op een elementaire manier over diepe dingen gaat en ze aanknopingspunten zien met reliieuze bewegingen en filosofie. Bij scheikunde zie je dat veel minder, bij moleculaire biologie neemt het juist toe.”

Waarin onderscheidt zich de natuurkundige?

Lagendijk: “Wij zijn gek op problemen. Als we een nieuw probleem hebben, vinden we dat niet erg maar zitten we te stralen. En we weten: als we het oplossen, komen er nog veel meer problemen tevoorschijn. Is het probleem niet exact oplosbaar, zijn we goed in het benaderen van de oplossing. De kunst van het vak is het intuïtief weten wat er veel toe doet en wat minder. Vaak zie je een krachtige intuïtie samengaan met een groot analytisch vermogen, denk aan Feynman. Dat aanvoelen welke parameters er toe doen, houdt het verschil in met de wiskunde. Maar intuïtie kan nog zo sterk zijn, uiteindelijk beslist het experiment.”

Er zijn er die zeggen dat natuurkundige feiten in een debat tussen onderzoekers worden uitonderhandeld en daarmee sociale constructies zijn.

“Zeker, en Alan Sokal heeft ze met zijn nonsens-artikel over de transformatieve hermeneutica van quantumgravitatie in het tijdschrift Social Text vorig jaar flink te grazen genomen. Ik was de enige fysicus die toen niet stond te juichen. Sokals nep-artikel was grappig, maar er sprak zoveel arrogantie uit, zo'n dédain voor de rest van de wetenschap. Op een aantal punten ben ik het roerend met de science studies eens. Natuurkunde is een veel socialere wetenschap dan we willen toegeven. Toch geloof ik heilig in een objectieve component die voorkomt dat het uit de hand loopt met de constructies. De natuur roept je tot de orde, als zij er niet aan wil is het afgelopen, punt uit. Achter de sociale natuurkunde zit altijd een objectieve werkelijkheid, een harde kern. Er bestaat geen katholieke lichtsnelheid.”

Kunnen natuurkundigen in hun presentatie geen voorbeeld nemen aan de astronomen?

“In de sterrenkunde doen ze het voortreffelijk, van hoog tot laag. Ze krijgen het met de paplepel ingegoten. Europese fysici presenteren zich erbarmelijk. Een paar weken geleden was ik op een conferentie in Leuven over vaste-stoffysica, met veel Oost-Europeanen. Wat een geklungel. Transparanten die in de zaal niet te lezen zijn, onduidelijke figuren, geen humor, gebrekkig woordgebruik - dat hoef je in Amerika niet te proberen.

“Maar dat de presentatie beter moet, wil niet zeggen dat we op RTL 5 als quizdeelnemers onze kop moeten laten zien. Mijn hoofdstelling luidt: wetenschap is saai. Niet omdat het ingewikkeld is, dat kun je ondervangen met goede uitleg. Maar het gaat tergend traag, zo traag dat er nauwelijks vooruitgang te melden is. Wat de wetenschapper in een of twee jaar klaar speelt is bijna niks. Is het er al? Is het er al? wil het publiek weten. Wat zijn de toepassingen? Wetenschappers zijn tien jaar met één idee bezig, tenzij je de mode volgt en van de hak op de tak springt.”

Is de mode multidisciplinair?

“Dat NWO 'multidisciplinairen' die om geld komen janken als ze in hun eigen club te licht zijn bevonden, tevreden stelt en binnen twee jaar nut verwacht, vind ik tamelijk dom. Maak van elke arts een huisarts en laat die opereren, zo'n voorstel zou iedereen idioot vinden. Er is een grens aan het opheffen van specialismen. Maar ja, als je wetenschappers wil sturen moet je ze in een organisatie persen waar je iets te zeggen hebt. Dan is een multidisciplinaire club een uitkomst: daar kan mooi een bestuurskundige boven. Natuurlijk is het lastig als problemen aan de rand van een vakgebied spelen, maar als ze interessant zijn worden ze echt wel ingelijfd. Daar heb je geen stimulerende bestuurskundige voor nodig. Bij klimaatonderzoek zie je allerlei mensen met een politieke agenda. Met de politiek haal je de consensus binnen. Al die ambtenaren die zo nodig met alles mee moeten doen, ze zouden hen moeten verbieden eerste klas of business class te vliegen, dat zou een hoop narigheid voorkomen, misschien een tip voor de Rekenkamer.”

Op het jubileum van de Nederlandse Natuurkundige Vereniging zei u vorig jaar dat wetenschappers geen drugs doorlaten of met voorkennis in aandelen handelen, en toch door de politiek gepakt worden. Wat is er allemaal fout in Den Haag?

“Wij zijn een gemakkelijk doelwit, de enige vrijgestelden in de maatschappij. Als je als politicus zo'n beeld ophangt, simplistisch en kort door de bocht, is het makkelijk scoren. Wij gaan keurig met ons geld om. Hoe vaak lees je niet dat er bij de overheid weer eens honderd miljoen aan een automatiseringsproject is verspild? Wetenschappers hebben bij het grote publiek een veel groter draagvlak dan bij politici.

“Typisch voor deze regering, maar ook voor de vorige, is het willen veranderen, veranderen, veranderen. Nieuwe ministers, nieuwe regelingen. Geef ons toch de tijd. Nu is de organisatie van het wetenschappelijk onderzoek in tien jaar vier keer veranderd, dan heet het weer voorwaardelijke financiering, dan weer internationalisering. Voordat je erop ingespeeld bent is er weer een nieuwe vlag. Dat irriteert me mateloos. Zo maak je van onderzoekers papierschuivers, vergaderaars, managers. We hebben dat bureaucratische gedoe met die toponderzoekscholen en bovendien gooit op dit moment gooit NWO zijn hele eigen organisatie ook nog eens door elkaar.”

Past het onderzoek van Ad Lagendijk in een topschool?

“Ik hou van kleinschalige wetenschap. Een hoogleraar, een enkele medewerker en een paar promovendi die ik vaak zie. De eerste twee jaar leg ik hun de dingen uit, de laatste twee jaar zij aan mij. In kleine groepjes, los van de rest, kan fantastisch onderzoek gedijen. Kijk naar IBM in Zürich, waar ze achter elkaar Nobelprijzen binnensleepten door dingen te doen die niet in de mode waren. Die cultuur mag niet worden weggedrukt door het geld richting top-onderzoekscholen te sluizen.

“En wie bepaalt wat de top is? Vraag een wetenschapper wat z'n drijfveren zijn en je krijgt als antwoord nieuwsgierigheid en indruk maken op collega's. Niet NWO bepaalt of je top bent, dat doet je collega binnen het eigen subspecialisme op Harvard, MIT of Yale. Anderen kunnen dat niet meten. Vertaal zo'n topschool eens naar muziek. Met Riccardo Chailly én Bernard Haitink in je orkest krijg je geen top, dat wordt vechten. Top is eigenheimers,ook in de wetenschap, en eigenheimers maken ruzie. Bovendien leidt erkende top, geconcentreerd op één plek en vertroeteld, tot luiheid. Ga naar Frankrijk. Op de École Normale zit, op een enkele uitzondering na, een stelletje zelfingenomen wetenschappers, omdat ze weten dat ze de top zijn.”

Wetenschappers beoordelen elkaar via anonieme peer review. Daarop is kritiek. Moet het anders?

“Ik sta helemaal achter dat systeem, ook al maakt het me soms razend. Ik heb referees zien schrijven dat ons werk absurd was, dat het helemaal fout was, ik zie gemene streken, vertragingstactieken, enzovoort. Toch weet ik niks beters. Wel geef ik mijn promovendi een training. Antwoorden aan de referee board zijn vaak veel te direct. Dus zeg ik: altijd beginnen met: 'We thank the referee for carefully reading the manuscript.' Slijm, slijm, slijm, maar zo werkt het in Amerika. Als hij fout is zeggen wij: 'Probably it has to do with our presentation.' Je moet een referee in zijn waarde laten, een compromis zoeken in plaats van je gelijk te halen. Maar ik moet toegeven, ik heb wel eens een editor opgebeld met 'volgens mij het is die en die, die heeft zus en zo, dus zoek een ander als referent'.

“Dat de referent er belang bij heeft een artikel tegen te houden, komt zelden voor. De preprint is er al en dan moet je haast wel crimineel zijn het te misbruiken. Gevaarlijker wordt het je als anonieme collega's je onderzoeksvoorstellen gaan beoordelen. Als je directe concurrent op een presenteerblaadje krijgt aangeboden wat Ad Lagendijk de komende vijf jaar gaat doen, vind ik dat niet prettig. Andersom krijg ik van de National Science Foundation projecten uit Amerika ter beoordeling voorgelegd. Soms zijn die uiterst interessant en ik kan die kennis niet ontweten. Mijn alternatief: wijs volgens criteria als past performance de beste wetenschappers aan, geef ze vijf jaar een forse zak geld en beoordeel ze keihard na afloop op geleverde prestaties.”

Hoe staat het met de collegialiteit in de natuurkunde? In het tijdschrift Athenaeum Illustre schetst u de gang van zaken rond de Amsterdamse vertraging van licht in witte verf als een serie oorlogshandelingen.

“Toen wij ontdekten dat licht in witte verf na heel veel verstrooiingen de weg terug beter weet dan verwacht mag worden, gaf dat een gevoel van tevredenheid en schoonheid. Vervolgens merk je dat die ontdekking aan de man brengen extra werk is. Als ik eerlijk ben: mijn collega's zijn eerder jakhalzen dan vrienden. Vooral de vaste-stoffysica is berucht, het stamt uit de tijd van Bell Labs, die zo overheersend waren en zo'n mafia vormden dat het er hard aan toe ging.”

Kunt u er zelf ook wat van?

“Ik vind het niet leuk maar als het moet sla ik keihard terug. Toen ik voor een symposium van de American Physical Society op mijn vakgebied niet was uitgenodigd, ben ik voor één dag naar New York gevlogen, ben op de eerste rij gaan zitten en heb aan een stuk door geïntervenieerd. 'I am Ad Lagendijk from Amsterdam and I have a question and a comment.' Na afloop wisten ze het wel. Daar doen ze niet moeilijk over, eerder merk je waardering. Dat gebrek aan collegialiteit heeft te maken met ego's. Bij mij is het niet anders: daar heb je die Amsterdammers weer, die overdrijven zo. Maar wij hebben goede ideeën, zo arrogant ben ik wel. En ik tref het met uitstekende promovendi.”

Op welke manier maken collega's het u moeilijk?

“Als je ergens de eerste mee bent en je bent nieuw zie je dat de anderen hun uiterste best doen jouw naam zo snel mogelijk van die ontdekking af te krijgen. Eerst zeggen ze dat het niet klopt, daarna heet het dat zij het al genoemd hadden en dat je andermans controverse hebt beslecht. Als je je baby niet verdedigt, dan ben je haar kwijt. Toen een collega op een conferentie tijdens zijn voordracht mijn naam aanwees en zei: 'I hope that you are satisfied that I put your name there', reageerde ik: 'I hope it is permanent ink.' Dat was een grap met een bloedserieuze ondertoon. Verwijzingen naar je werk zijn essentieel, op basis daarvan krijg je geld. Ik ben nu tien jaar op zoek naar de lokalisatie van licht. Niks op andere treinen springen, gewoon volhouden tot je er bent.”