Weg met Godard; De invloed van de 1,2,3-groep op de Nederlandse film

Een filmer moet zowel regisseur, cameraman en acteur in films kunnen zijn, vonden de vijf leden van de 1,2,3-groep in de jaren zestig. Om het goede voorbeeld te geven maakten Jan de Bont, Frans Bromet, Rem Koolhaas, Renee Daalder en Kees Meyering in 1965 de film 'De 1,2,3 Rapsodie'. De film wordt vertoond op het Nederlands Filmfestival, bij de reünie van de groep die grote invloed had op de Nederlandse film.

Samuel Meyering, Frans Bromet, Renee Daalder en Rem Koolhaas zullen tijdens het Nederlands Filmfestival op zondag 28 september een voorstelling van de 1,2,3 Rapsodie bijwonen en na afloop met elkaar praten over de 1,2,3-groep; 't Hoogt 1, 19.30u. Koolhaas opent rond die tijd in Utrecht ook het door hem voor de universiteit ontworpen Educatorium.

In 1964 deden regisseurs Renee Daalder en Kees Meyering en cameralieden Frans Bromet en Jan de Bont eindexamen aan de Nederlandse Filmacademie. Samen met Daalders schoolvriend Rem Koolhaas, toen nog geen architect maar een filmende autodidact, wiens vader scenario doceerde aan de Filmacademie, vormden zij de harde kern van de zogenaamde 1,2,3-groep, een dwars gezelschap dat niets moest hebben van de toen dominante adoratie van de Franse Nouvelle vague. Op de zaterdagochtend na de diploma-uitreiking op 18 juli 1964, verzamelen zich om 10 uur zo'n driehonderd belangstellenden in het Amsterdamse Leidsepleintheater. Volgens een verslag van Wim Verstappen in het filmblad Skoop (jaargang II, nummer 6) is 'ongeveer iedereen die in Nederland iets met film te maken heeft' uitgenodigd voor de 'kontinentale presentatie' van films 'uit de groep 1,2,3 enz.'. Achterop de gestencilde uitnodiging valt het 1,2,3-manifest te lezen, dat als volgt luidt:

De groep bestaat.

Zij heeft de volgende eigenschappen:

1. Het is geen groep van mensen; het is een groep van films.

2. Zij vertegenwoordigen geen enkele filmrichting of stroming, staan los van geloofsopvattingen, van politieke partijen en andere ondernemingen.

De vertoningsmogelijkheden van de op 16mm gedraaide 'groepsleden' blijken die ochtend verre van optimaal. Voor zover er geluid op de film zit, is dat veelal in de voorafgaande nacht gemonteerd. De techniek staat niet toe dat het geluid van Frans Bromets Het gaat om het spel, maar de knikkers zijn ook niet onbelangrijk hoorbaar wordt, zodat de vertoning na tien minuten wordt stopgezet. Inleiding van Kees Meyering, volgens Verstappen 'een ritmische afwisseling van witten, zwarten en grijzen, met op de geluidsband ook ritmisch wat plopgeluiden', doet sommige critici, zelfs een enkele Skoop-redacteur, besluiten de zaal te verlaten. Verstappen: “Dergelijke critici verdienen bijgezet te worden naast de knapen, die Coltrane's eerste concert in Nederland kraakten, die Appels eerste schilderijen als een lachertje beschouwden, die Rietvelds woningen met kippenhokken vergeleken. Een gedegen oordeel geven over films die in het buitenland al zijn opgevallen kan iedere hond; maar de vinger leggen op wat nu - hier - belangrijk en nieuw is, dat maakt iemand criticus”.

Een van de beschuldigden, Skoop-redacteur en Filmacademiedocent Rein Bloem, trekt nog in hetzelfde nummer van het toonaangevende filmblad het boetekleed aan. Een jaar later, toen in de marge van de Filmweek Arnhem nagenoeg dezelfde groep jonge filmmakers hun film De 1,2,3 Rapsodie presenteerde, waren de meeste recensenten vol lof. In Skoop werd Renee Daalder, de onbetwiste ideoloog van de anti-ideologische 1,2,3 groep, die bij nader inzien wel degelijk uit mensen bleek te bestaan, door Bloem 'onze grootste filmer' genoemd.

Afkeer

Renee Daalder, Kees Meyering, Rem Koolhaas, Frans Bromet en Jan de Bont, allen geboren in 1944, worden vaak vergeleken met Nescio's Titaantjes. De strekking van hun werk wordt vaak in verband gebracht met de ontkoppeling van vorm en inhoud door de Barbarber-groep in de literatuur en met de absurde televisie van Wim T. Schippers. De voornaamste inspiratie van de 1,2,3-groep was negatief: wat de vijf bovenal gemeen hadden was een afkeer van Jean-Luc Godard en de rest van de Nouvelle vague, van de auteurstheorie en van films die alleen maar naar andere films verwezen. Zij vinden de verbale spitsvondigheden van Godard en zijn voortdurend hameren op vervreemdingseffecten maar hoogst irritant. In een interview met Het Parool zei Daalder in 1966: “Ik heb een mateloze bewondering voor een echte Hollander zonder gevoel voor humor, zonder esprit. Esprit is een vervelende eigenschap van de Fransen. Na twintig eeuwen van cultuur is dat een verloren volkje. Van mij mogen ze Frankrijk van de landkaart vegen, tegelijk met Engeland”.

Het valt nu moeilijk voor te stellen hoe dapper die stellingname geweest moet zijn voor iemand die aan het begin van de jaren zestig naar de Filmacademie ging.

In 1965 publiceerde de 1,2,3-groep een nieuw manifest, tegen de op dat moment heersende opvatting dat de regisseur de auteur van een film is of moet zijn. De stellingen luiden:

1. de regisseur is een coördinator, geen persoonlijkheid die zijn wil aan de andere leden van de equipe oplegt;

2. alle creatieve krachten van de gehele filmploeg worden gemobiliseerd en geïntegreerd;

3. acteurs (Garbo, Bogarde) en cameramannen (Vandenberg, Morris) vooral zijn een groter aandeel waard;

4. de auteurspolitiek is de dood in de pot;

5. een film is een groot mobile met voortdurend wisselende posities en functies.

In Skoop (jaargang III, nummer 3/4) haalden Daalder, Koolhaas en Meyering uit naar de Nederlandse Nouvelle vague-adepten als Pim de la Parra, Nikolai van der Heyde en Frans Weisz, bij voorbeeld omdat ze het publiek steeds maar inpeperden dat het 'maar' film was. De filmers uit de Franse en Nederlandse Nouvelle vague werd 'inteelt' verweten: “Dezelfde teamgeest die ondergronds heilzaam is, wordt bovengronds een heilloze hokjesmentaliteit”.

Macho in ondergoed

De praktische illustratie van het 1,2,3-manifest was de 1,2,3 Rapsodie: bij elk van de vijf delen van een minuut of drie zouden de functies per loting zijn vastgesteld. De eerste sketch, Hoe stoer Jan zijn kan, werd geregisseerd door Bromet, gefotografeerd door Daalder. Het laat De Bont zien in ondergoed, als macho poserend op een Mobylette met een meisje achterop. Het aardige van het vijfluik is nu dat de illustere latere carrières van het vijftal er zich achteraf in laten voorspellen. De interlock-poses van De Bont, die als cameraman beroemder zou worden dan de in het manifest genoemde Gerard Vandenberg en Howard Morris, wijzen vooruit naar zijn latere positie als de Hollywoodregisseur van Speed en Twister. Renee's lieftalligheid, Met Daalder in de hoofdrol door Kees Meyering geregisseerd in kraamverzorgstersuniform, roept een herinnering op aan zijn exploitatiefilm Massacre at Central High (1976). In de recensie in de New York Times werd hij 'Miss' Daalder genoemd, vanwege de in Nederland vooruitstrevende spelling van zijn voornaam als Renee. Dat kon in Amerika slechts tot de conclusie leiden dat hij een regisseuse was en leidde zelfs tot feministische interpretaties. Daalder besloot derhalve zijn computerexperimenten in Hollywood voort te zetten met een 'e' minder aan het slot van zijn voornaam. In Frans in de watten toont Koolhaas Bromet als verwende peuter door zijn moeder in de tobbe gestopt en in een matrozenpakje gehesen. Je zou er een voorafspiegeling in kunnen zien van Bromets licht nuffige houding als later bewonderd interviewer en cameraman van televisieprogramma's als Buren. Daalders ballade op rijm over de arme wees Kees, slachtoffer van de maatschappij, vormt achteraf een ironisch commentaar op de rijkdom die Meyering, onder de nieuwe voornaam Samuel, zou verwerven als patenthouder op uitvindingen als de Rolykit. Het door De Bont geregisseerde portret van Koolhaas, als olijke lakei van koningin Elizabeth II, zou je kunnen opvatten als voorafspelling van zijn positie als internationaal toonaangevend architect.

De opvattingen van de 1,2,3-groep hebben grote invloed gehad op de Nederlandse filmcultuur. De camera van Frans is van doorslaggevend belang geweest voor het werk van Pim de la Parra, Marleen Gorris en vele debutanten, dta van Jan de Bont voor Paul Verhoeven en Adriaan Ditvoorst. In de Nederlandse speelfilm zijn cameralieden en acteurs inderdaad bijna even belangrijk gebleken als regisseurs; het 1,2,3-denken heeft er ook toe geleid dat de dromers onder de regisseurs minder belang kregen dan de doeners (Dick Maas, Paul Verhoeven, Ruud van Hemert, Wim Verstappen) en de producenten.

Drie van de vijf 1,2,3-ers verlegden hun werkterrein naar het buitenland en bereikten daar een toonaangevende positie als respectievelijk goeroe van de hectische grote-stadsarchitectuur (Koolhaas), trendsetter in de door special effects gedomineerde commerciële blockbuster-cinema (De Bont) en innovator van de multimediatechnologie (Daalder). De in Nederland achtergebleven Bromet en Meyering doen het evenmin slecht als maker van kleinschalige kwaliteitstelevisie en exploitant van patenten en computersoftware. Hun gemeenschappelijke wantrouwen jegens utopisch intellectualisme heeft geen van allen windeieren gelegd; de ironie wil dat ze, ook als ze in groepsverband werken, toch uitgegroeid zijn tot de primus inter pares op hun eigen gebied. Eigenlijk zouden ze niet goed meer kunnen ontkennen toch een (soms anonieme) auteur te zijn geworden.