Water tegen de Russen

J. R. Beekmans en C. Schilt (red): Drijvende stuwen voor de landsverdediging. Een geschiedenis van de IJssellinie. Walburg Pers & Stichting Menno van Coehoorn Utrecht, 208 blz. ƒ 49,50

Wie in de vroege jaren vijftig door de Betuwe van Nijmegen naar Arnhem reed, zag hem: die grote en geheimzinnige dijk naast de snelweg. Opeens lag hij er en niemand wist waarvoor hij diende. Omwonenden vermoedden een onderdeel van een nieuwe waterlinie. Verder naar het noorden, aan de oprit van de brug van Dieren naar Doesburg, stond een merkwaardige schuur, waarover men fluisterde dat er een kanon in zat. Eens op een nacht blies een storm de hele loods weg en onthulde inderdaad de koepel van een oude tank. Ter hoogte van Baak, richting Zutphen, stuitte men op een kanaal waarvan werd verteld 'dat het iets met de NAVO te maken heeft'.

Kortom: er waren vele aanwijzingen, maar niemand had een overzicht. Bovendien werd de plaatselijke en landelijke pers van hogerhand per missive verboden hier tegels te lichten. Dat kon nog in de jaren vijftig. Nu is dat achteraf gebeurd in bovengenoemd boek en blijkt er een geheime Nederlandse Maginotlinie te hebben bestaan tussen Nijmegen en Meppel.

Op 26 februari 1951 nam de ministerraad een geheim en spoedeisend besluit zo'n linie op te trekken wegens de zorgwekkende staat van de Westerse defensie. Reeds in maart 1952 waren de stuwen bij Arnhem en Nijmegen en aansluitende dammen en dijken bedrijfsklaar. Twaalf jaar later had de sterker wordende Bundeswehr het zwaartepunt van de West-Europese verdediging verschoven naar de Elbe en werd de IJssellinie gedegradeerd van eerste tot tweede en uiteindelijk derde verdedigingsIijn.

In 1963, na tijdens de Cuba-crisis voor het eerst in staat van alarm te zijn geweest, werd de linie gesloopt wegens de veranderde militaire machtsverhoudingen, het mogelijke gebruik van kernwapens en de aanschaf van amfibische tanks door de aanvaller. Bovendien heeft een rivier door zijn wisselende waterstanden geen betrouwbare defensieve waarde.

De beschrijving van de IJssellinie in dit boek overtreft alle vermoedens: de Waalstuw was een caisson van 230 bij 30 meter, beide andere 86 meter bij 30 meter, in vredestijd onopvalllend opgeborgen in havens haaks op de rivieren. Ze hadden bij onraad het water van de Bovenrijn door het winterbed van de IJssel moeten leiden. Tussen Deventer en Olst moest een tweede stuw de overstroming van het gebied tussen Arnhem en Olst regelen zodat het 'plas en dras' was, onbegaanbaar én onbevaarbaar. Ondanks deze enorme omvang bedroegen de kosten in twaalf jaar tijd slechts negentig miljoen ofwel vijf procent van de defensiebegroting, eveneens jarenlang gecamoufleerd. Het opmerkelijke aan het project is dat de bouw en de nachtelijke oefeningen, waarbij viermaal per jaar de scheepvaart in Waal, Nederrijn en IJssel werd gestremd, konden plaatsvinden met opperste geheimhouding.

Het plan voor een dergelijke waterlinie is van baron Menno van Coehoorn, de vestingbouwer van stadhouder-koning Willem III, die in 1701 de Nederrijn bij Rhenen wilde afdammen, vandaar de naam 'Plan Coehoorn' later 'plan C', schuilnaam 'Noodbrug pontonplan Betuwe'. Het denkbeeld van drijvende stuwen stamt van de Delftse hoogleraar ir. P.Ph. Jansen (1902-1982) die in 1945 bij het sluiten van de verwoeste dijken op Walcheren caissons had gebruikt. In een dijkgat kan dat tijdens de kentering, terwijl een rivier van maand tot maand en jaar tot jaar met verschillende krachten doorstroomt. Dat vergt veel meer precisiewerk met kabels en lieren in plaats van met sleepboten en stelt ook veel hogere eisen aan de fundering op de rivierbodem. De kennis die met plan C is opgedaan werd dan ook later bij de Deltawerken met vrucht toegepast.