Video valt onder film, niet onder schilderkunst; Videokunst als schakel tussen disco en museum

Een jonge kunstenaar die iets over de sociale wereld en zijn leven daarin wil zeggen, zoekt zijn heil in snelheid en afwisseling. Hij grijpt naar een video- of foto-camera en minder naar de kwast. Popcultuur en video-kunst liggen in elkaars verlengde, is de overtuiging die oprijst uit het World Wide Video Festival.

World Wide Video Festival-tentoonstellingen in: Stedelijk Museum, Paulus Potterstraat 1, Amsterdam en Montevideo, Keizersgracht 264, Amsterdam. T/m 5 okt. Stedelijk Bureau Amsterdam, Rozenstraat 59, Amsterdam. T/m 19 okt. Catalogus: ƒ 55,-.

Eboman was zichzelf niet op het World Wide Video Festival. Er liepen zelfs mensen de zaal uit tijdens zijn optreden in De Melkweg in Amsterdam. En dat terwijl deze ster onder de vj's, de diskjockeys die met geluid én beeld werken in het clubcircuit, garant staat voor volle zalen en een dansende massa. “Hij heeft Kunst willen maken”, zei iemand. Dat zou wel eens waar kunnen zijn. Eboman had speciaal voor dit vijftiende festival, dat na 14 jaar Den Haag voor het eerst in Amsterdam plaats vindt, een programma gemaakt dat weliswaar in een poppaleis werd getoond, maar onderdeel was van een kunstfestival.

Zijn programma was gebaseerd op een tweederangs cowboyfilm waarvan telkens een fragment op meerdere monitoren en projectieschermen werd uitgelicht en uitgesponnen. Een vuistgevecht tussen twee soldaten bijvoorbeeld werd via tientallen herhalingen op wisselende ritmes als het ware ontleed. De vuistslagen zagen eruit als mitrailleurgeratel in comicstrip-taal en klonken of ze in een hoofdletters stonden geschreven. Toch verveelde het clubpubliek zich: er werd geen dansstemming opgeroepen waardoor de beelden hier als pretentieus overkwamen.

Maar wat als Eboman te zien was geweest op een andere plek van het festival, in het Stedelijk Museum bijvoorbeeld? Zou daar zijn performance (want zo zou zijn act dan heten) geen opzien hebben gebaard? Ik denk van wel: zoveel bravoure en vitaliteit kom je in het museum zelden tegen. Ik denk ook dat zijn beelden daar geen pretentieuze indruk zouden hebben gemaakt. Ze hadden er beschouwingen opgeroepen over, ik noem maar wat, mannelijke rolmodellen, filmische ontleding van lichaamsbeweging à la Muybridge en grensvervaging tussen beeldende kunst en film, tussen hoge en lage cultuur. Daar zou Eboman's werk beoordeeld zijn op zijn ideeën, zou het ontsnapt zijn aan de verplichting te amuseren. Nu voldeed hij niet, hij was 'saai', van het soort saaiheid dat de gemiddelde disco-ganger in het museum situeert.

Er waren meer vj's en dj's die op dit kunstfestival optraden of met kunstenaars samenwerkten, zoals dj Spooky die een performance van Joan Jonas begeleidde. Ze werkten zij aan zij met kunstenaars die vaker in het disco-circuit opereren dan in de galerie, zoals Gerald van der Kaap, Daniëlle Kwaaitaal en Mischa Klein. Ze waren goed voor een uitverkochte zaal, zoals het vj-feest waarmee het festival aanstaande zaterdagnacht in de Amsterdamse discotheek Escape wordt afgerond (kunstenaarsbijdragen van onder meer Rineke Dijkstra, Armin Droge en Gerald van der Kaap) ook op grote belangstelling kan rekenen. De bewering die de directeur van het World Wide Video Festival, Tom van Vliet, hiermee doet is niet mis te verstaan: hij vindt dat de popcultuur en de video-kunst in elkaars verlengde liggen. Je hoeft maar naar MTV te kijken om te weten dat hij gelijk heeft. Tal van muziekclips zijn al door kunstenaars gemaakt, overigens zonder dat daar accent op wordt gelegd. Maar een bezoek aan het Stedelijk Museum is voldoende om te zien dat er ook onoverbrugbare verschillen zijn. Wat in het museum kan, kan niet altijd in de discotheek.

Wat kan niet in de discotheek? De video-installatie van Bea de Visser. Die vraagt om stilte en aandacht anders ontgaat je iets wezenlijks van de gezichten die om de beurt opkomen en weer verdwijnen. Ze komen op een klik van een fototoestel in beeld als een transparant, zwart/wit negatief, ondergaan allerlei ijle transformaties als voeren ze een gevecht om een eigen uitdrukking, en lossen op wanneer ze eindelijk een herkenbaar en gekleurd gezicht hebben gekregen, om plaats te maken voor een nieuwe boreling.

Ook de eenzame monologen die de lappenpoppen van Tony Oursler voeren zouden ongehoord blijven. Ze liggen tegen enorme schermen met wolkenluchten en stadsbeelden aangedrukt en hebben, dankzij een video projectie, een levendig gezicht met een almaar pratende mond. Ze zijn niet amusant, maar vertederen en ontroeren door het gevoel dat van ze uitgaat, een gevoel waarover niemand graag spreekt en dat iedereen kent: opgesloten te zitten in een lichaam.Toegegeven: deze installaties passen in de museale traditie van verlangzaming, beschouwing en intimiteit, de traditie van schilder- en beeldhouwkunst. Wie video zegt denkt eerder aan televisie, dat wil zeggen aan snelheid en afwisseling, aan zappen. Televisie betekent de wereld als sociaal terrein, met alle problemen die bij intermenselijk verkeer horen. Die wereld, die zo ver af staat van het idee dat kunst een eigen, on-wereldse werkelijkheid kent, is vanaf de jaren zestig langzaam de videokunst binnengedrongen en hij valt er tegenwoordig niet meer uit weg te denken. Een kunstenaar die nu iets over de sociale wereld of zijn leven daarin wil zeggen (en de jongste lichtingen lijken juist daarin geïnteresseerd) grijpt naar een video- of foto-camera en niet naar de kwast. Voor een sociaal betrokken tentoonstellingsmaker als Catherine David, directrice van de huidige Documenta in Kassel, is dat zelfs een reden om de schilderkunst af te doen als achterhaald.

Pikant

Zo bezien is het pikant dat dit video-festival onderdak vond in het Stedelijk, de tempel van de schilderkunst bij uitstek. Het valt niet direct op als je binnenkomt, zo enthousiast is het onthaal nu ook weer niet, maar er zijn zalen vrij gemaakt voor een aan het festival verbonden video-tentoonstelling en in de Nieuwe Vleugel zijn op aanvraag meer dan honderd video's te bekijken. Dat alles loopt ook nu het festival voorbij is nog enkele weken door, samen met een door het museum gemaakte keuze uit zijn collectie. Al met al een mooie gelegenheid voor het Stedelijk om te laten zien dat het wel degelijk z'n deuntje mee blaast. En dat dat niet per se een saai liedje is, maar een compositie met een heuse structuur.

Vergeet het maar. Er zijn vijf kunstenaars gekozen die zeker belangwekkend genoemd mogen worden: Bruce Nauman, Gary Hill, Joan Jonas, Douglas Gordon en Marijke van Warmerdam, maar het voert te ver om hen, op Nauman en Hill na, als bakens voor alle anderen te zien. Inzicht in de ontwikkelingen, turbulenties en vertakkingen van de video-kunst bieden ze in de huidige presentatie al helemaal niet. Er hangen weliswaar tekstbordjes bij, maar wie in het donker de nek uitsteekt om ze te lezen, veert terug voor een lijkengeur van kunstcliché's: 'Er ontstaat een surrealistisch beeld, maar het krijgt in het filmpje iets alledaags. (-) Op deze wijze manipuleert Van Warmerdam het kijken van de kijker.'

Zou Eboman op zulke tekstbordjes azen?

Wat had het Stedelijk kunnen doen? Het museum had verbanden kunnen aanwijzen die het altijd nogal lukraak signalerende WWV Festival niet schijnt te kunnen leggen. Het verband tussen videokunst en performance bijvoorbeeld. Als er iets is, wat een interessante schakel naar de popcultuur kan vormen (ik denk aan de optredens van Laurie Anderson en Brian Eno) is het dat wel. Maar het museum komt niet verder dan Bruce Nauman.

Nauman was een van de eersten die zijn performances op video vastlegde. Het Stedelijk laat een paar van die video's uit de late jaren zestig zien: Nauman die urenlang voorover gebogen in spreidstand zit, Nauman die ononderbroken rond een op de grond geschilderd vierkant danst. Maar wat je, doordat niets in een context is geplaatst, allicht ontgaat is dat dit testen van het uithoudingsvermogen een vorm heeft die hoort bij een kunstopvatting. Deze stond een simpele, heldere, vaak geometrische vorm voor die theater zo veel mogelijk uitsloot. De performances kregen daardoor het karakter van een onderzoek, temeer omdat de camera geen andere taak had dan registreren. Wel hield Nauman ervan om het beeld, en daarmee de handeling, op z'n kop te zetten, iets wat hij overigens nog steeds doet.

Sambal

Nauman werkt niet meer zo formeel, daarvoor is hij te veel bij de tijd. Tegenwoordig is de vormgeving over het algemeen of theatraal of hij mag in z'n alledaagsheid geen naam hebben. In Stedelijk Bureau Amsterdam bijvoorbeeld, waar in het kader van het festival drie video-kunstenaars exposeren, zie je op een monitor Maria Pask aan een keukentafel zitten en achter elkaar een flesje chilisaus leeg drinken en een pot sambal en Spaanse pepers naar binnen werken. Ze doet het met duidelijke moeite, allicht, maar de registratie is dermate vormloos dat je van haar helse missie niet warm of koud wordt. Ik moest erbij denken aan een recente video van Marina Abramovic waarop zij een grote ui met schil en al opeet. Alleen heeft Abramovic, die weet wat theater is, ervoor gezorgd dat we recht voor haar staan zodat we het hele proces van rood worden, tranen, opzwellen en kokhalzen van dichtbij kunnen meemaken.

Sterk theatraal, en duidelijk in de mode, is het gebruik van meerdere projectieschermen tegelijk. Sam Taylor-Wood, bekend geworden door haar panoramische foto's waarop rijkelui's decadentie in verschillende huiselijke taferelen tegelijk is te zien, heeft in het Stedelijk twee grote projectieschermen aan weerskanten van een hoek gehangen. Die scherp gerande tweedeling splijt symbolisch een ruzieënd stel in de keuken in tweeën, de man links, de vrouw rechts, ieder opgesloten in zijn eigen projectiescherm. In Bureau Amsterdam zit bij een tweedelige installatie van Imogen Stidworthy op het ene scherm een vrouw achter een schrijfmachine te broeden en op het andere een oudere, naakte man op een stoel te filosoferen.

Stidworthy legt het er niet zo dik bovenop als Taylor-Wood. Je kunt nog denken dat de oude man een produkt is van de fantasie van de vrouw, of een van haar innerlijke stemmen. Het kijvende paar lijkt wel soap, te raden valt er niets. Een uitstekende achtergrond voor de dansvloer.

Zoals zeefdruk en litho allebei grafiek zijn, zo valt video onder film. Het medium verschilt, maar er zijn belangrijke gemeenschappelijke noemers. De belangrijkste, op de beweging na, is het verhaal. Overzie je bij een schilderij in één keer het beeld, bij film volgen de beelden elkaar op, waarmee vanzelf het zoeken naar verbanden en een verhaallijn opkomt. Het verhalende is in de beeldende kunst lange tijd taboe geweest, het beeld moest voor zichzelf spreken, maar met de explosieve groei van de video-kunst is zelfs de schilderkunst niet aan het verhalende ontkomen.

Toch kiezen veel kunstenaars die met video en film werken voor een losse verhaalstructuur waarbij de verschillende fragmenten elkaar associatief lijken op te volgen. Daar gaat vaak onvermogen achter schuil of aanstellerij, zoals bij de door elkaar gehusselde sm-seksscènes van Maria Beatty. Het kan ook prachtige resultaten opleveren zoals bij de semi-documentaire van Shelly Silver, 37 stories about leaving home (beide bij 'video op aanvraag' in de Nieuwe Vleugel). Drie generaties Japanse vrouwen vertellen daarin over hun liefdesleven. Hun verhalen zijn zo doorsneden dat boven hun onmacht en onwetendheid uit een groot verlangen klinkt naar liefde, werkelijke liefde.

Een andere vorm van verhalen zie je bij A. P. Koomen & Karen Murphy. Bij groot geprojecteerde foto's van huiselijke dingen als een stoel onder een lamp en een pen op een bureau vertelt een stem het droeve verhaal van oom Edward en zijn race-fiets. De beelden zijn bedoeld als stille medespelers die het verhaal visualiseren zonder het in te kleuren. Dat moeten wij zelf doen, wat in dit geval neerkomt op lang stilstaan voor beelden die een bepaalde sfeer aangeven maar verder nietszeggend zijn. En dat doet al snel verlangen naar een oorverdovend en meeslepend verhaal. Eboman, waar ben je?