Top 100

Onlangs kocht ik twee boeken met een overeenkomstige titel, die toch heel verschillend zijn, maar op de een of andere manier ook weer niet. Het ene boek was The 100 greatest athletes of all time van Bert Randolph Sugar, dat als ondertitel heeft: a sports editor's personal ranking. Het andere boek was The jewish 100 van Michael Shapiro, wat als ondertitel heeft: a ranking of the most influential jews of all time.

Eerst de overeenkomsten. Beide boeken zijn hiërarchisch opgezet en uiteraard prestatiegericht. Zou je een top-100 maken van de meest invloedrijke Duitsers, dan zouden er op zo'n lijst nogal wat griezels voorkomen, want namen als Hitler, Goebbels, Goering, Hegel en Heidegger lijken nauwelijks te vermijden. Daarentegen is de piramide van de atleten en de joden voornamelijk gevuld met helden. Eigenlijk trof ik in beide boeken maar één echte schurk aan: O.J. Simpson op de 43ste plaats bij de atleten en Leon Trotski op de 35ste plaats bij de joden. Judas, op de veertiende plaats bij de joden, laat ik buiten beschouwing, want over zijn slechte naam blijven de meningen verdeeld.

Oak komt er in beide boeken slechts één Nederlander voor: Spinoza op de tiende plaats bij de joden en Fanny Blankers-Koen op de 97ste plaats bij de atleten. Fanny staat nog net voor Abebe Bikila, maar vreemd genoeg is Johan Cruijff niet te vinden op de lijst. Kennelijk meent Bert Randolph Sugar dat Cruijff niet in de schaduw kan staan van Pele (8ste) en Maradonna (52ste).

En dan de versehillen. Uiteraard heeft de uitdrukking 'all time' bij de joden een andere betekenis dan bij de atleten. De joden kunnen putten uit een arsenaal dat enkele duizenden jaren oud is, terwijl de geschiedenis van de sport eigenlijk pas de laatste honderd jaar op gang is gekomen.

In de joodse top-100 staat maar één sportman: de schaker Wilhelm Steinitz op de tachtigste plaats. Dat is een wat vreemde keus. Als er nou toch een joodse schaker in moest, had ik eerder gekozen voor Botwinnik of voor Bobby Fischer, hoewel Fischer een aantal jaren geleden de redactie van de Grote Joodse Encyclopedie heeft aangeschreven met het verzoek hem als lemma te schrappen. Of er in de top-100 van de atleten ook joden staan, weet ik niet. Weliswaar klinken namen als Michael Jordan (10de), Edwin Mozes (31ste) en O.J. Simpson erg joods, maar bij mijn weten zijn zij eerder zwart dan joods, wat natuurlijk ook weer niet alles zegt.

Wie staat er nu nummer 1? Bij de atleten wordt de ranglijst aangevoerd door Jim Browne. Ik had nog nooit van hem gehoord, maar hij is de beroemdste running back uit de geschiedenis van het Amerikaanse voetbal. Bij de joden staat Mozes, maar dan zonder Edwin, op de eerste plaats. Daar valt over te twisten. Toegegeven, Mozes stelde een ranking van wetten op, maar stamt de mens niet af van aartsvader Abraham? Ik persoonlijk vond het zeer teleurstellend dat Abraham slechts met een vijfde plaats genoegen moest nemen. Met een betere pr-afdeling had dat beslist hoger kunnen zijn.

Zwaar aanvechtbaar vond ik ook de keus van nummer 2 op de joodse top-100: Jezus van Nazareth, is die Jezus eigenlijk wel een jood? In mijn jeugd woonde naast ons een katholiek jongetje, dat wel eens een antisemitische opmerking maakte. Ik kreeg van mijn moeder de strikte opdracht om tegen dat jongetie te zeggen dat Jezus zelf ook een jood was geweest. Ik deed dat ook altijd trouw, maar diep in mijn hart was ik niet overtuigd.

Wat al die halfzachte theologen ook zeggen, christenen en joden zijn iets totaal anders. Je bent christen óf je bent joods. Voor mij is Christus de eerste christen. Dat hij toevallig een joodse moeder had, Maria, doet daar niets aan af. Trouwens, Maria staat zelf ook op de lijst. Als negende, ruim onder Babe Didrikson Zaharias, het beroemde hardloop- en verspringwonder, dat bij de atleten de derde plaats bezet.

Sommige namen zijn duidelijk overgewaardeerd. Freud vierde, net na Einstein, had van mij lager gemogen. Heine (30ste) staat te laag en Chagall (96ste) mag weg. Maar met de plaats van Zatopek (29ste) ben ik het volkomen eens!