Strijdliederen in Oost-Jeruzalem

Studenten vervangen de joodse gezinnen in Ras al-Amud in Oost-Jeruzalem. Maar de Palestijnen accepteren deze 'oplossing' niet.

JERUZALEM, 19 SEPT. “Joodse studenten in dit gebouw zijn nog gevaarlijker dan joodse families.” Terwijl massa's Israelische soldaten zich gisteravond opmaakten om de families Klein, Kallner en Heiken uit de twee appartementen in het huis in Ras al-Amud te evacueren, liet de oude Palestijnse buurtbewoner weten dat hij met deze 'oplossing' geen genoegen neemt. En hij niet alleen. Op het veldje naast het gebouw, waar de Israelische beweging Vrede Nu haar tenten had opgeslagen, zongen vijftig Palestijnen op plastic krukjes oude strijdliederen. Over de Revolutie die vandaag zou beginnen. Over hoe de vorige Revolutie begon, toen de Britten in 1936 drie Palestijnen doodden. Bij het licht van de schijnwerpers die de politie op het huis had gezet en de oranje fakkels van de Israelische demonstranten, klonk het gezang plechtig. En dreigend. “In de naam van de vrijheid”, brulde een Palestijn door de megafoon, “wij zijn bereid te sterven!”

Toen al, rond tienen, was de halve stad afgezet door de politie. Soldaten stonden op daken met getrokken geweer. Overvalbusjes waren op stoepen geparkeerd. Wegen werden met dranghekken afgezet. Palestijnse autobilisten werden in een rij tegen een muur gezet en onder schot gehouden, terwijl soldaten hun papieren controleerden. Het handjevol demonstranten rondom het betwiste huis in Ras al-Amud baarde de politie minder zorgen dan de Palestijnse oproep vandaag massaal te komen bidden rond het huis en de Al-Aqsa-moskee in de Oude Stad.

“Als joodse studenten in dit huis blijven”, zei de oude man op het veldje vol Vrede Nu-vlaggen, “vecht ik volgende week in de frontlinie. Ik heb een aannemersbedrijf. Oorlog is slecht voor de business. Maar tijdens de Revolutie kun je je niet als aristocraat gedragen.”

Of dit soort taal de opmaat is voor een echte 'veldslag', was zoals altijd moeilijk te bepalen. Vier dagen lang werd het gebouw in Ras al-Amud bewoond en omsingeld door twee extreme groepen in de Israelische maatschappij - als een pelgrimsoord. De 'gewone man' liet zich niet zien.

Het huis is klein. Weinigen kunnen zich voorstellen dat de joodse multimiljonair Irving Moskowitz die etage voor 750.000 dollar van een Palestijn had gekocht.

Pagina 4: 'Schaam je verrader, je bent nog erger dan een Arabier'

Binnen hingen luchtfoto's van Oost-Jeruzalem, met rode stippen voor andere huizen die Moskowitz er heeft gekocht. Religieuze sympathisanten met hoeden en pruiken liepen in en uit. Zij tekenden het gastenboek, tapten koffie uit een kantine-kan en gingen bidden op de binnenplaats. Op de tegels stond, in krijt, een hinkelbaantje dat Palestijnse kinderen nog maar een week geleden hadden gebruikt.

Op het veldje ernaast, ook van Moskowitz, stonden thermosflessen van Vrede Nu. Israelische vredesactivisten in T-shirts en sandalen legden uit waarom Palestijnen hun huizen of land aan joden verkopen: “Palestijnse kopers bieden er weinig voor, omdat de gemeente hun maar zelden toestaat op het land een huis bouwen of het bestaande huis te verbouwen. Joden krijgen wel bouwvergunningen, en daarom zijn ze bereid de eigenaar het tienvoudige te betalen.”

Het protest bij het huis werd gisteren aangevoerd door linkse Israeliërs. Palestijnen meldden zich vooral 's avonds. Ze zongen Arabische liederen terwijl Vrede Nu drie meter verder Hebreeuwse teksten als “Bibi, het is oorlog!” schreeuwde voor de immer aanwezige tv-camera's. Ruzies woedden vooral tussen Israeliërs onderling. Zo wilde Lior Shai, een nachtclubeigenaar uit Tel Aviv, roffelend op Afrikaanse bongo's aantonen “hoe belachelijk dit is”. “Schaam je, verrader!” schold een passerende religieuze jood en trok hem aan zijn paardenstaart, “Jij bent nog erger dan een Arabier!” Tientallen agenten sprongen uit een van de klaarstaande overvalbusjes om hen uit elkaar te trekken.

“Joden hebben het recht om tussen Arabieren te wonen”, gilde een Amerikaans-joodse mevrouw achter een dranghek. “Arabieren kopen toch ook heel Israel op?!” Een Palestijnse advocaat zei zacht: “Dat is niet waar. Als Palestijnen huizen in West-Jeruzalem kopen, annuleert de rechter meteen het koopcontract, ook al is het even legaal als het koopcontract van Moskowitz hier. Wegens 'de publieke veiligheid van de omwonenden'. Waarom doet de rechter dat niet als joden in onze wijken gaan wonen?”

Shmuel, een Israeliër die zichzelf een 'Moskoteer' noemt, juichte toen hij hoorde dat tien joodse studenten en tien man bewaking en onderhoudspersoneel in het huis mogen blijven. “Die twintig mensen trouwen en krijgen kinderen”, voorspelde hij hoopvol. De oude Palestijnse aannemer was het met hem eens. In het schijnsel van de fakkels zei hij: “In de Oude Stad moesten een paar jaar geleden ook families een huis uit dat ze van Palestijnen hadden gekocht. De wachters die achterbleven, trouwden meteen. Nu wonen er tien families.”

De jonge Palestijn schreeuwde door de megafoon: “Hatta al-Nasser!” - op naar de overwinning. De Palestijnse jeugd scandeerde het met glinsterende ogen na. Zij waren bijna allemaal lid van Arafats Fatah-partij. “We hebben nog geen instructies van Fatah”, zei de oude man. “Maar als Arafat het ons toestaat, zullen we die Israeliërs morgen na het gebed eens wat laten beleven.”