Schimmig portret van stalinistische koddebeier

Hans Olink: Nico Rost. De man die van Duitsland hield. Nijgh & Van Ditmar, 299 blz. ƒ 45,-

'Erger dan een ploert', zo noemde Edgar du Perron Nico Rost (1896-1967) in een brief aan Menno Ter Braak. En hij voegde er aan toe dat hij 'koddebeier van Stalin' een toepasselijke omschrijving vond van deze communistische publicist. In Hans Olinks biografische schets van Rost wemelt het van de negatieve kwalificaties van de man die een kortstondige roem beleefde met zijn boek Goethe in Dachau.

Geboren en getogen in een welgesteld Gronings zakenmilieu en vervolgens mislukt als gymnasiast, vertrok Rost begin jaren twintig, vervuld van literaire ambities naar het bruisende Berlijn. Daar schreef hij artikelen over Duitse literatuur voor De Telegraaf en een reeks van andere bladen, maar vooral hield hij zich op in het Romanisches Café op de kop van de Kurfürstendamm. Aan de marmeren tafeltjes van dit legendarische etablissement kwam hij in contact met de fine fleur van de de Duitse en Midden-Europese literaire wereld, onder wie de uitvinder van de reportage: Egon Erwin Kisch, die zijn grote, maar niet te evenaren, voorbeeld zou worden.

In 1927 was Rost tijdelijk in Nederland waar A.J. Koejemans, de latere hoofdredacteur van De Waarheid, hem wierf als lid van de CPN. Gedurende de jaren die daarop volgden was hij in Duitsland actief als communist, wat hij kort na de machtsovername van Hitler in 1933 moest bekopen met kortstondige detentie in het concentratiekamp Oraniënburg. In 1944 werd Rost nogmaals opgepakt en gedeporteerd naar Dachau, waar hij zich op buitengewone wijze staande hield en anderen (de sociaal-democratische voorman Wiardi Beckman, pater Titus Brandsma, de dichter Ed Hoornik) tot steun was.

Om te overleven, zoals hij het zelf uitdrukte, hield hij in Dachau op bij elkaar gesmokkelde kladjes papier een dagboek bij over al even moeizaam bijeengesprokkelde klassieke, voornamelijk Duitse, boeken. 'Wie over eten begint te praten, krijgt steeds meer honger. En degenen die het meest over de dood praten zijn het vlugst gestorven... Vitamine L (literatuur) en T (toekomst) lijken me de beste bijvoeding', was een van zijn stelregels.

Het fascinerende kampdagboek Goethe in Dachau, een verslag van de overwinning van de geest op de barre realiteit van het concentratiekamp, verscheen in 1947 en maakte grote indruk. In De Nieuwe Stem plaatste Annie Romein Rost in de traditie van oorlogsreporters als Xenophon en de Amerikaan Ernie Pyle, die bekend stonden om hun 'onbevangen verslaggeving temidden van gevaren waarin geen avonturenzin, maar de consequenties van zijn intellectuele moed hem gebracht hebben.'

Vele jaren later las de publicist Hans Olink Goethe in Dachau. Hij raakte zo geboeid door Rosts geloof in de 'literatuur als verzetsmiddel' dat hij ander werk van deze relatief onbekende auteur ging verzamelen. En hoewel hij, al speurende, tot de ontdekking kwam dat zijn onderzoeksobject niet meer voorstelt dan 'een voetnoot in de literatuurgeschiedenis', besloot hij tot het samenstellen van een biografisch portret.

Wat Olink vervolgens in buitenlandse en Nederlandse archieven, correspondenties en gesprekken met tijdgenoten aan materiaal opdiepte, bevat zoveel witte plekken en tegenstrijdigheden dat het portret schimmig blijft. Goethe in Dachau is een eenmalige uitschieter geweest. Nico Rost schemert door de anekdotes heen als een weinig interessante broodschrijver die een zekere literaire status ontleende aan zijn talent om vriendschappen aan te knopen met internationaal bekende schrijvers, zoals Kisch, Brecht, Anna Seghers, Joseph Roth en Louis Paul Boon. Zijn eigen literaire ambities in de jaren twintig, dertig en later kon hij niet waarmaken, maar ook zijn poging om een politieke rol van enige betekenis te spelen, strandde op een nogal tragisch meeloperschap.

Du Perrons scheldnaam 'koddebeier van Stalin' dankte Rost aan het feit dat hij in 1938 ketterjacht maakte tegen de van de CPN 'afvallige' Jef Last, die in de Spaanse Burgeroorlog met de radicaal-socialistische POUM had samengewerkt. Lasts homoseksualiteit had hem, evenals André Gide, op het verkeerde, trotskistische spoor gebracht, aldus Rost in een schotschrif onder de titel Het geval Last.

Na de oorlog zou Rost nog verder gaan in zijn dienstbaarheid aan Stalin. Hij vestigde zich - na een betrekkelijk duistere periode in België - in Oost-Duitsland. Daar werd hij, dankzij de warme ontvangst van de vertaling van Goethe in Dachau, als een vorst gefêteerd, waarbij hij zelf kwistig de communistische autoriteiten stroop om de mond smeerde. Op 21 december 1950, Stalins 71ste verjaardag, hield hij een lezing over 'de grootste marxistische theoreticus en prakticus, de belangrijkste filosoof van de tegenwoordige tijd, de belangrijkste militaire strateeg van dit tijdperk'. In Stalin, zo zei hij, waren alle goede eigenschappen verenigd.

Kort daarop was het afgelopen met die twijfelachtige pret. Een paar maanden na zijn loflied op Stalin werden Rost en zijn vrouw wegens verdenking van spionage gearresteerd en uitgewezen. Volgens archieven die Olink in de DDR heeft kunnen inzien is de spionage-aanklacht uiteindelijk ingetrokken. De werkelijke reden van de uitzetting zou, aldus diezelfde archieven, zijn dat CPN-leider Paul de Groot aan de DDR-autoriteiten rapporteerde dat hij Rost niet vertrouwde.

Vertrouwen kreeg hij daarna trouwens ook nauwelijks van (ex)vrienden, of het moesten de enkelingen zijn die hem, zoals Ed Hoornik, meegemaakt hadden in Dachau en meenden dat zij hun leven aan hem te danken hadden. De meeste anderen bij wie Rost om hulp aanklopte, maakten duidelijk hem als een charlatan te beschouwen.

Hoe groot of klein, hoe betrouwbaar of doortrapt Rost in werkelijkheid geweest is, valt op grond van Olinks portret nauwelijks vast te stellen. Heikele vragen, zoals die over zijn samenwerking met nazi-uitgevers en fascistische auteurs aan het begin van de oorlog, worden wel opgeworpen maar niet bevredigend beantwoord, zoals ook de na-oorlogse episode in België en de DDR niet uit de verf komen.

Verwarrend is dat Olink zijn biografie doelbewust niet chronologisch heeft opgezet. Interessante gegevens over afkomst, jeugd en vorming van Nico Rost staan merkwaardigerwijs op de laatste bladzijden van het boek, en ook binnen de afzonderlijke hoofdstukken werkt de auteur van achteren naar voren. Een probleem van deze compositie is onder andere dat Rosts vele illustere vrienden niet worden geïntroduceerd, zodat in het midden blijft hoe ze ooit in diens leven terecht zijn gekomen.