Niet perfect, maar ook geen monster; Elvis Presley (1935 - 1977)

Peter Brown & Pat Broeske: Down at the end of Lonely Street. The life and death of Elvis Presley., Heinemann, 524 blz. ƒ 56,95

Niet bekend

Het nieuwste boek over Elvis Presley draagt de dramatische titel Down at the end of Lonely Street, ontleend aan de hit Heartbreak Hotel, en wordt in het voorwoord door de schrijvers zelf bij voorbaat aangekondigd als het zoveelste in een rij levensbeschrijvingen die inmiddels al minstens 300 andere titels omvat (en dan alleen nog in het Engels). Dat klinkt een beetje moedeloos, maar ze zeggen er meteen bij dat het moeilijk is uit alle tot dusver verschenen verhalen op te maken wat de waarheid is en wat niet. Het lijkt er immers op of elke biograaf zich verplicht heeft gevoeld partij te kiezen: in de verdediging of in de aanval. Terwijl de waarheid over Presley in het midden ligt, aldus Peter Brown en Pat Broeske: 'Hij was niet perfect, maar evenmin was hij een monster.'

Wat deze twee Amerikaanse journalisten vervolgens over hun hoofdpersoon weten op te dissen, is lang niet allemaal nieuw, maar in elk geval heel wat genuanceerder - en zorgvuldiger onderzocht - dan in eerdere boeken. Down at the end of Lonely Street is bijvoorbeeld veel evenwichtiger dan de opzienbarende pil van Albert Goldman (Elvis, 1981) die veel onthulde, maar onvermijdelijk de vraag opriep of de auteur soms nog een appeltje met zijn onderwerp te schillen had: zo harteloos en zo kwaadaardig rukte hij de gordijnen van Graceland opzij. Het is vast niet toevallig dat Brown en Broeske, schrijvend over een succesvolle Presley-show uit 1970, nu juist een recensie uit Life citeren, waarin diezelfde Goldman de ster meesmuilend uitriep tot 'the King of the Oldy-Moldy-Goldys'.

Veel wisten we al, maar veel ook niet. Nog nooit heb ik zo'n helder relaas gelezen over Presley's moederbinding, die ontstaan moet zijn toen vader Vernon negen maanden in de cel zat wegens diefstal en de kleine Elvis achterbleef met moeder Gladys. Hij moest haar beschermen, vond hij, en menigeen heeft destijds met verbazing gezien hoe de jonge knaap haar trachtte te vertroetelen met eten en drinken en in een geheimtaal vol kooswoordjes tot haar sprak. Niet waar is echter het beroemde verhaal van de plaatopname voor haar verjaardag. Ze was in werkelijkheid nog lang niet jarig toen hij in juli 1953 naar de studio van Sun Records ging om op eigen kosten My happiness op de plaat te zetten. Elvis Presley wilde zanger worden, dat wist hij toen al, en dit was naar zijn mening de beste manier om bij Sun-baas Sam Phillips op te vallen. My happiness was geen cadeautje, maar een auditie. En inderdaad hapte Phillips even later toe, toen hij een blanke popvocalist met een zwarte stem zocht.

Nauwgezet beschrijven Brown en Broeske hoe de jongeman zichzelf modelleerde, naar het voorbeeld van filmrebellen als James Dean, Marlon Brando en Tony Curtis. Hij had een voor zijn leeftijd ongewoon grote belangstelling voor extravagante kleding, hij verfde zijn blonde haren zwart en hij oefende in het neerhangen van de onderlip. Toen een schoolvriend hem zei dat hij zodoende helemaal niet op de andere jongens leek, moet Presley hebben geantwoord: 'Klopt. Dat is ook precies de bedoeling.' En toen hij eind 1954 zijn eerste lokale roem vergaarde, weigerde hij pertinent voor beroepsfotografen te glimlachen: 'Je kan niet sexy zijn als je glimlacht. Je kan geen rebel zijn met een glimlach.'

Maar het verhaal heeft twee kanten, want hoe bewust hij ook doende was met die carrièreplanning - hij was tegelijk veel te naïef om weerstand te bieden tegen zo'n doortastende bullebak als Colonel Tom Parker (de vroegere Dries van Kuijk uit Breda) en jarenlang bleef hij iedereen die ouder was dan hij, aanspreken met sir. Ook de journalisten die hem interviewden, en ook de functionarissen van de platenmaatschappij. Pas zijn dienstplichtige verblijf in Duitsland, in 1959, maakte hem minder serviel. Buiten de diensttijd was hij nu de baas over zijn eigen hofhouding; de heren die tot dan toe in Amerika zijn carrière hadden uitgestippeld, kwamen niet mee naar Bad Neuheim.

Daar, in Duitsland, moet ook het gebruik van de peppillen zijn begonnen die hem uiteindelijk tot een junk hebben gemaakt. Dat is, ook in dit boek, een deprimerend verhaal waarvan de talloze details mij eerlijk gezegd het minst interesseren. Opmerkelijk is wel dat Presley al die opiaten en al die andere tovermiddelen bleef beschouwen als medicijnen. Hij had een hekel aan drugs-verslaafden en aan de popmuziek die eind jaren zestig het gebruik van geestverruimende middelen verheerlijkte. Dat hij zich in 1970 nota bene bij president Nixon aanmeldde als narcotica-bestrijder-in-buitengewone-dienst, was dan ook niet de cynische façade die er later van is gemaakt. Hij meende het eerlijk, denken Brown en Broeske. Hij bleef zichzelf wijsmaken dat zijn eigen pil- en spuitgebruik uitsluitend een medische reden had.

Hoe hij intussen reageerde op de nieuwe ontwikkelingen in de popmuziek, die immers een regelrechte aantasting van zijn positie vormden, blijft vaag. Tegen zijn zin, maar op aandringen van manager Parker, ontving hij de Beatles, maar op de uitnodiging de volgende avond naar hun adres te komen, ging hij niet in. En toen hij Mick Jagger op de televisie zag optreden, moet hij hebben uitgeroepen dat die sprekend op een flikker leek. Maar daarmee is het onderwerp afgehandeld. Terwijl er heel wat te vertellen zou moeten zijn over de goeddeels mislukte pogingen om het tij te keren en nieuwe hits te maken.

Met geen woord wordt in de meer dan 500 pagina's gerept over Presley's repertoire-beleid in de laatste tien jaar van zijn leven. Waar kwamen zijn nummers vandaan? Welke inbreng had hij zelf in de keuze? En waarom kwam iemand (wie?) op het bespottelijke idee de shows van de vetzuchtig geworden veertiger in en uit te luiden met het gedragen beginthema van Richard Strauss' Also sprach Zaratustra ? Dat zijn de vragen die in zulke biografieën wel vaker onbeantwoord blijven: veel over de mens achter de artiest, maar veel te weinig over de artiest die toch de reden is waarom men over die mens wil lezen. Elvis Presley was nu eenmaal niet alleen een fascinerend ziektegeval en een toonbeeld van de roem die niet gelukkig maakt, maar ook een zanger die bleef zingen tot het niet meer kon.