Kindertijd allochtone peuter is maar kort

In 'veelkleurig' Nederland wonen verschillende mensen naast elkaar, ieder met zijn eigen culturele achtergrond. In het dagelijks leven botsen hun normen en waarden.

ROTTERDAM, 19 SEPT. De vrouw buigt zich over haar baby op de commode en sjort het kruippakje uit. Ze kijkt schuin naar een andere baby. “Waar heb je die gekocht”, vraagt ze. Haar vinger wijst naar een speen, die met een ketting en een lichtgroene wasknijper aan een vestje zit. “Bij Prénatal”, antwoordt de Surinaamse moeder. De vrouw stoot haar man aan. “Dat is handig, voor als hij straks naar de crèche gaat.”

Een doodgewoon gesprek in een Rotterdams consultatiebureau. Eén baby heeft al tandjes, een ander is te dik en heeft uitslag van de luiers. Allochtone en autochtone moeders verschillen op dat gebied niet veel van elkaar, zegt directeur C. van der Werf van Thuiszorg Rotterdam, waaronder de consultatiebureaus vallen. “Ze stellen zich dezelfde vragen. Zal ik fles- of borstvoeding geven? Wanneer gaat mijn kind lopen? Eet hij wel goed?”

Er zijn ook verschillen. De Nederlandse vrouw met haar baby op de commode bezoekt het consultatiebureau met haar man. Hij houdt zijn zoon op de arm. De Surinaamse moeder is alleen gekomen. De vader bezoekt het kind af en toe, zoals relatief veel Surinaamse en Antilliaanse vaders doen. Surinaams vaderschap, zegt men dan gekscherend. De baby van de Surinaamse vrouw wil 's nachts niet doorslapen, is vanaf drie uur klaar wakker. Zij staat er alleen voor en wordt er gek van. “De volgende dag moet ik weer werken.”

Het opvoeden van kinderen behelst meer dan gebrek aan slaap en zorgen om luieruitslag. Het gaat om normen en waarden. En wat zijn de ingrediënten van een goede opvoeding? “De relatie tussen moeder en kind is het belangrijkst, want het kind moet zich bij iemand veilig voelen”, zegt wijkverpleegkundige M. Snijder. “Ouders zouden hun kind naar zelfstandigheid moeten leiden” meent directeur Van der Werf. “Vroeger vond ik duidelijkheid, consequent zijn heel belangrijk”, aldus wijkverpleegkundige J. Hoogendam. “Nu vind ik dat kinderen vooral zelfstandig moeten worden.”

Een Marokkaanse vrouw woont sinds kort met haar man en vier kinderen in een flat in de Rotterdamse wijk Spangen. Twee van haar kinderen spelen op de stoep, tussen de uitgestalde waren van de buitenlandse kruideniers. Een intercom zoemt, de deur zwaait open. Binnen doet de flat Marokkaans aan: gebloemd behang, lage banken. Het oudste kind, een meisje, is elf jaar en draagt een donkergrijze hoofddoek. De jongste, een jongen, werd twee weken geleden geboren. Haar kinderen bezoeken een islamitische basisschool. “Want zij moeten goede moslims worden”, verklaart de vrouw.

De Amerikaanse psycholoog Maslow onderzocht in 1954 de behoeften van de mens in Westerse culturen. Tot de primaire behoeften behoorden eten, drinken, slaap en bescherming tegen kou, zo bleek uit dit onderzoek. Veertig jaar later verrichtte de in Nederland wonende Marokkaans/joodse publicist D. Pinto eenzelfde onderzoek onder mensen uit niet-Westerse culturen. De primaire behoeften bleken dezelfde, de overige niet. Zo hechtten mensen uit niet-Westerse culturen veel belang aan 'het behagen van de eigen groep' en 'het opbouwen van een goede naam, onder meer door zichtbare rijkdom'. Eer was het belangrijkste. Gezichtsverlies, schaamte en schande moesten worden bestreden. En de islamieten in Nederland wilden hun kinderen vooral tot vrome moslims opvoeden.

De verschillen zijn niet slechts moreel, ze gelden ook voor praktischer zaken. Leefomstandigheden bijvoorbeeld. In de wijk Spangen is 79 procent van de bevolking allochtoon (of de betrokkene zelf of een van de ouders is geboren in het buitenland). Veel van hen wonen op weinig vierkante meters; vaak is het er vochtig en vol lawaai. Hun kinderen zijn daardoor vaker verkouden en hebben meer last van allergieën.

De sterfte onder in Nederland geboren kinderen van Turkse en Marokkaanse ouders is twee maal hoger dan de sterfte onder autochtone kinderen, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Inadequaat 'zoekhulpgedrag', gebrekkige kennis over de gezondsheidszorg in Nederland en verblijf in het land van herkomst (auto-ongelukken, infectieziekten, drinken van vies water) leiden onder meer tot verhoogd sterfterisico.

Twee straten voorbij het Marokkaanse gezin woont de Turkse familie Ayadin. Een gehorig, donker trapgat. Vijf kinderen op een flat. Nergens speelgoed. Vader stofzuigt de gang en moeder speelt op bed met de baby. Huilt het jongetje, dan krijgt hij direct de borst. “Een allochtone peuter mag volledig kind zijn”, had directeur Van der Werf van Thuiszorg Rotterdam gezegd. “Alles wat hij vraagt, gebeurt.” Wijkverpleegkundigen hadden dat beeld bevestigd. “Tot hun vierde jaar worden Turkse kinderen behandeld als prinsjes en prinsesjes.”

Daarna moeten de kinderen overigens snel volwassen worden - vooral de meisjes. De 'koninklijke' opvoeding leidt in het derde levensjaar tot problemen. Wijkzuster Hoogendam: “Het kind is dwars, krijst veel. Hij is de baas in huis.” Het ouderlijk gezag loopt een eerste deuk op. “De ouders kunnen het vaak niet aan. En ze zoeken de schuld niet bij zichzelf, maar doen alsof de problemen hen overkomen.” Directeur Van der Werf wijst op een andere, vaak passieve, houding van allochtone ouders in vergelijking met autochtone ouders. “Ze lezen weinig voor en spelen nauwelijks met hun kinderen. De opvoeding van peuters bestaat vooral uit verzorgen en vertroetelen.”

De overheid wil dat die opvoeding meer op de Nederlandse samenleving wordt toegesneden. Tot voor kort probeerde ze vanaf de basisschool de opvoeding in banen te leiden - via taallessen en ouderavonden bijvoorbeeld. Nu willen kenners van de praktijk eerder ingrijpen, in de 'voorschoolse fase'. Dat idee heeft ook postgevat bij veel politieke partijen, de VVD incluis.

Daarom heeft Rotterdam, onder andere in de wijk Spangen, 'buurtmoeders' ingesteld. Het zijn Marokkaanse en Turkse vrouwen, die hun landgenoten van advies dienen over opvoeding. Daarnaast worden cursussen 'opvoeding' gegeven. Allochtone moeders horen hier over het Nederlandse onderwijs-systeem èn leren hun kinderen te “belonen als deze een prestatie hebben verricht”. En dan zijn er nog de peuterspeelzalen.

Maar zullen de peuters uit deze speelzalen sneller in de Westerse samenleving passen? van der Werf: “Dat is een verkeerd uitgangspunt. Integratie moet van twee kanten komen. Niet-Westerse culturen kennen een aantal goede normen en waarden. De mensen houden meer rekening met elkaar. Accepteren de Nederlanders dit, dan zou ons land veel socialer worden.”