Iets verzinnen

'Als ik zeg dat ik op reis ga', vroeg de mier aan de eekhoorn, 'word jij dan verdrietig?'

Ze zaten aan de oever van de rivier en keken naar de overkant. Het was zomer, de zon stond hoog in de lucht en de rivier glinsterde.

'Ja', zei de eekhoorn, 'dan word ik verdrietig. Maar als ik dan zeg dat jij niet mag gaan word jij dan boos?'

'Ja', zei de mier, 'dan word ik boos. Maar als ik dan zeg dat ik toch ga en dat je me niet kan tegenhouden, word jij dan heel verdrietig?'

'Ja', zei de eekhoorn, 'dan word ik heel verdrietig.' Hij leunde achterover en kneep zijn ogen dicht. 'Maar als ik dan iets verzin', ging hij verder, 'waardoor je niet meer wilt gaan, word jij dan heel boos?'

'Wat verzin je dan?' zei de mier.

'Ja...' zei de eekhoorn. 'Dat verzin ik als jij zegt...'

'Ik wil het nu weten!' riep de mier.

'Maar ik heb het nog niet verzonnen', zei de eekhoorn.

'Dan ga ik nu weg', zei de mier.

De eekhoorn werd verdrietig en zei: 'Je mag niet gaan.'

De mier werd boos en zei: 'Ik ga toch.' Hij nam alvast één stap.

De eekhoorn zweeg en leunde achterover.

'Nou?' vroeg de mier. 'Wat verzin je nu?'

Maar de eekhoorn schudde zijn hoofd. 'Je bent nog niet weg', zei hij.

'Maar ik ga echt, hoor!' riep de mier. Hij liep een eind weg. Na elke twee stappen keek hij om. 'En?' vroeg hij telkens. 'Heb je het al verzonnen?'

Maar de eekhoorn schudde telkens zijn hoofd. Hij vond dat heel moeilijk, want hij wist niet zeker of de mier niet opeens zou gaan hollen en dan doorhollen tot hij zó ver weg was dat hij niet meer kon terugkomen. Maar hij zei niets.

De mier liep steeds verder en werd heel klein. Zijn stem kwam nog maar in flarden bij de eekhoorn:

'Iets verzonnen? Al? Eekhoorn!'

De eekhoorn kon de mier ten slotte niet meer zien. Nu is hij echt weg, dacht hij. Nu is hij echt helemaal weg. Er prikte iets in zijn ogen.

Tranen, dacht hij.

Maar plotseling verscheen er een stofwolk aan de horizon. Met grote snelheid kwam de mier aanhollen. De bomen bogen opzij en alle bladeren ruisten. Voor de eekhoorn bleef de mier staan.

'Nu móét je het zeggen', zei hij, buiten adem. Hij keek de eekhoorn met grote ogen aan. De stofwolk zakte langzaam naar de grond.

Nu moet ik het zeggen, dacht de eekhoorn en hij verzon iets.