Hersenspinsels van een borstelkop; Roman van Leon Gommers

Leon Gommers: Het uurwerk van Floor. De Bezige Bij, 200 blz. ƒ 36,50

Als u nog nooit gehoord hebt van de schrijver Leon Gommers is u dat niet aan te rekenen, want zijn debuutroman De hondewacht bleef twee jaar geleden in deze krant onbesproken. Zoals in de meeste kranten, overigens. Maar vanaf nu moest u de naam maar onthouden. Gommers heeft een opvolger geschreven, Het uurwerk van Floor, en dat is een onnavolgbaar eigenzinnig prachtboek: grillig, geestig, roerend en ten slotte zelfs huiveringwekkend.

Dat zit hem in de stijl, om te beginnen. Gommers zet je in het hoofd van een figuur die zich niet neerlegt bij het alledaagse Nederlands. Hij proeft de woorden op zijn tong. Hij peutert ze voorzichtig open om te kijken wat er aan betekenissen in verborgen ligt en sleutelt ze weer in elkaar, maar anders, zodat ze van niemand anders dan hem zelf zijn. Sigaretten noemt hij suikerpeuken. Op de radio hoort hij een wijsvingerstem. Lachen doet hij korfbalblij. Weemoed voelt hij als een stolp om in te zwemmen. Ruzie ziet hij uitdraaien op 'een bleke niks met een lange staart'. Geheimtaal is het, moeilijk om in door te dringen, maar te mooi om het niet te proberen. Want wie is dit? Wie moet je zijn om zo te praten?

Een zonderling van twaalf, zo blijkt. Een jongen die zich opsluit op de zolder van zijn oma met een kring van spiegels om zich heen. Waar hij ook kijkt, hij ziet zichzelf, een 'zwarte borstelkop' vol woorden en dromen, en dan voelt hij zich lekker, want hij weet dat niemand anders hem kan zien. 'Onzichtbaar' wil hij zijn, verborgen in een eigen kleine wereld waar de grote wereld hem niet vinden kan. Want buiten is het leven boos, wat hem betreft, en wordt hij bij het minste of geringste bang. En daarover beschaamd. Een bange 'schaamjongen', dat is wat er van hem overblijft wanneer hij zich laat zien.

Voor die angst heeft hij zelf een verklaring. 'Jij bent bij je geboorte gewoon vreselijk geschrokken, zei onze moeder altijd, en je bent er net als ik nooit overheen gekomen.' Net als ik, en tussen de kieren van zijn zolderwereld zie je af en toe een glimp van de gevolgen die dat heeft gekregen. Moeder blijkt zo met de schrik van haar geboorte te zijn blijven worstelen dat ze inmiddels raadselachtig aan haar einde is gekomen. Vader is daarna verhuisd en laat zich nauwelijks meer zien. Sindsdien woont hij bij oma, maar ook daar schrikt hij wel eens. Er is geen opa meer, alleen een huisaltaar te zijner ere. Wel is er weer een oom, maar van het soort dat nooit geen meisje vindt. Het is kortom een armelijk museum van geknakte zielen en gemis waarin hij leven moet, en dat tot overmaat van ramp tegen een achtergrond van stoflongen en opgedoekte kolenmijnen, want we zijn in Limburg, 1970. De wereld, dat is wat je klein krijgt, dus hoe zou hij niet bang kunnen zijn?

Waar het in Het uurwerk van Floor om gaat, ruwweg, is het verweer tegen dat boze en vernietigende universum. Oma vlucht in legpuzzels, liefst met heel veel stukjes blauwe lucht, een hemel voor de doe-het-zelver. Oom en jongen zoeken hun vertier intussen in een tochtje op de scooter naar de kermis, waar ze bij de jengelende klanken van de Heideroosjes en een orgelman op prijzenjacht gaan. Oom wint aan een oude houten flipperkast een berg aan chocoladerepen, die hij inruilt voor een peutergrote kermispop met knisperhaar. De jongen graait vervolgens uit een glazen kast met grijpers een collectie klokjes, vier op een rij, en daarna rijden ze tevreden naar huis. Een pop in plaats van een vrouw, een wekker in plaats van wakker leven - ze verzoenen zich met surrogaat.

Maar de jongen laat het daar niet bij. Hij heeft een plan. Hij neemt zijn wekkers mee naar zolder en versleutelt ze daar met een stapel klokken die hij eerder al eens heeft gewonnen tot, zoals hij zegt, een 'mooi verzinsel zonder nut'. Een uurwerk, dat nog wel, maar eentje dat de tijden husselt. 'Er zijn eenzame grote wijzers en loze uren en mooie volle tijden, en er zijn ook van die plotstijden zoals zeven over niks bijvoorbeeld.' En het wonder is dat het enorme raderwerk ten slotte zo valt af te stellen dat de wijzers samen letters vormen en de letters samen woorden. Uit het uurwerk groeit een woordwerk.

Deze jongen is een schrijver in de dop, dat kan je halverwege de roman niet meer ontgaan. Een schrijver, om precies te zijn, van het model dat in de jaren zeventig wel werd gevonden rond het tijdschrift De Revisor. Hij ontvlucht de werkelijkheid en en zet de klok stil om te kunnen leven naar een eigen, innerlijke werkelijkheid - jawel, die van de verbeelding. Want dat is wat de woorden op die wijzerplaten voor hem zijn: product van zijn verbeelding en toch echter dan echt. Een werkelijkheid gemaakt van taal.

Dat verklaart veel van die stijl waarin het ventje praat. Zijn zinnen staan meer onder dan naast elkaar. Ze vormen ieder een alinea op zich, alsof het beeldhouwwerkjes zijn waar je omheen moet kunnen lopen om ze goed te kunnen zien, en vragen daarbij ook nog eens de aandacht door hun eigen woorden aan een onderzoek te onderwerpen. Is het nu flaneren, wat hij op de kermis doet, of moet je hier van struinen spreken? Waarom lijkt blazoen op blaaszoen? En wat moet je met een woord als niettegenstaande? Opbergen 'in het woordendoosje van het schrap zetten' wellicht? De woorden worden voorwerpen, ze maken zichzelf werkelijk, en op den duur zelfs zozeer dat het joch vergeet hoe je een wafel ook weer noemt. Oublie - het woord wordt waar.

Dat klinkt misschien gekunsteld, maar het is heel geloofwaardig als je het leest. Het zijn per slot de hersenspinsels van die excentriekeling van twaalf, niet van de schrijver zelf, en gaandeweg wordt duidelijk dat die sinds de Revisor ook wel wat heeft bijgeleerd. Hoe hoog de vlucht van de verbeelding ook mag gaan, de werkelijkheid laat zich bij hem nooit helemaal verjagen. Als de jongen naar zijn voetbalclub gaat voor de keeperstraining, eigenlijk het enige waarvoor hij nog vrijwillig van zolder komt, krijgt hij klappen van een groepje stoere binken en begint het in zijn hoofd te gonzen. Hij heeft 'foeter' in de kop, zoals hij zegt, en dat gefoeter gaat over in de stem van een beschermengel die hem streng toespreekt. Dat hij van zich af moet leren slaan. Dat hij in plaats van taal te maken eens een daad moet stellen. Dat hij zijn gedroom moet inzetten voor een 'droom van ommekeer'. 'Als je het woordje droom omdraait,' zegt hij geheimzinnig, 'ben je thuis.'

Droom. Moord. Het is een woord dat ijskoud afsteekt bij de rozige schoonheid van zijn zelfgeschapen wereld, maar de logica voor iemand die zijn woorden waar maakt heeft iets onontkoombaars. Je stelt je dus vast in op wraak en lijken, op geweld in elk geval, en wordt vervolgens op de laatste bladzij toch nog overvallen door de uitkomst. Want het slachtoffer is niet een van die binken van het voetbalveld, niet iemand buitenshuis, de jongen hoeft er helemaal zijn zolder niet voor af te komen. Hij gaat voor de spiegel zitten als zijn grote raderwerk van klokken klaar is en de woorden op de wijzers zichtbaar worden - en een scheermes doet de rest.

Hoe kan dat? Wat is hier gebeurd? Het uurwerk van Floor is een voorbeeld van een boek dat op de laatste bladzijde totaal van kleur verschiet. De veilige verbeeldingswereld waar de jongen zich in opgesloten heeft blijkt niet alleen te kort te schieten als verweer tegen de buitenwacht, het is veel erger en bedreigender, en achteraf is dat ook zo vanzelfsprekend. Wie had hij kunnen vermoorden? Wie kan hij vermoorden in een wereld waarin niemand anders meer bestaat dan hij? Zijn moord is de keerzijde van zijn verbeelding, de vernietiging die bij zijn schepping past, en daarmee krijgt het boek met terugwerkende kracht zoiets als een moraal. Wie de vernietigende krachten in de wereld mijdt, ontmoet ze langs een omweg in zichzelf.

Maar die moraal is nog niet eens wat het verhaal huiveringwekkend maakt. Het huiveringwekkende is dat die moraal je blijkt aan te gaan, dankzij de listen van Gommers' stijl. De wereld mijden - is dat niet precies waar je in deze bladzijden mee bezig bent? Je kijkt door de ogen van die jongen. Je zit in zijn hoofd en koestert je met hem in de verrukking van zijn taalwereld en bent je daarbij van geen kwaad bewust. Zo'n fijne vlucht in de verbeelding, wat kan daar nou mis mee zijn? Om met de jongen zelf te spreken, als hij stilstaat bij het gekke van het woordje tongval: hoe kan taal je nou in de val lokken? Om vervolgens te ontdekken dat de taal in dit verhaal niet anders doet. Die val, daar zit je in.