Grote stappen te snel thuis

Mark Heirman: Botsende werelden. De Rooms-Romeinse strijd om tijd en eeuwigheid. Hadewijch, 239 blz. ƒ 39,90

Het Nederlandse taalgebied is een overzicht van de Westeuropese geschiedenis rijker. In 1995 publiceerde de Belgische filosoof-journalist-vredesactivist Mark Heirman zijn De waanzinnige twintigste eeuw. Een jaar later volgde in Het verloren millennium, een geschiedenis van de late Middeleeuwen en de Moderne Tijd, waarin hij op zoek ging naar de cultuurhistorische achtergrond van de catastrofes in de jongste honderd jaar. Nu is het sluitstuk verschenen van de trilogie: Botsende werelden, over het eerste millennium van onze tijdrekening.

De beperkte omvang van dit overzicht (drie maal 250 bladzijden) komt niet voort uit haast. Het is de bedoeling van Heirman in een verkort perspectief de actoren, die de geschiedenis richting gaven, zichtbaarder te maken. In Het verloren millennium was Heirman daarin geslaagd. Zijn kracht lag in de selectie van de veelzeggende momenten die, verhalend en zonder de noodzaak van veel voorkennis, uit de doeken werden gedaan. Als verhaal is Botsende werelden even goed. Maar Heirmans synthetiserende vermogen komt minder tot zijn recht.

In Het verloren millennium had Heirman als adagium psalm 113 geciteerd. 'Maar de aarde heeft Hij in handen gegeven van de kinderen der mensen', uiteraard als een verwijzing naar een tweede millennium met de mens als autonome bepaler van wat hij op de aarde en met de aarde deed. Tegelijk sloot de auteur hiermee aan bij die historici die de wortels van de moderne secularisatie grotendeels terugvinden in het jodendom.

De thema's voor de geschiedenis van het eerste millennium lagen dus voor de hand: hoe dat mengvat-millennium zijn meervoudige nalatenschap verwerkte en vervolgens tot de Moderne Tijden een latent bestaan liet leiden. En waaraan het te wijten was dat in het christendom de seculariserende boodschap van het jodendom mettertijd verloren ging.

Toch is het niet duidelijk of Heirman de bedoeling heeft gehad zijn verhaal rond die uitgangspunten te centraliseren. Botsende werelden mist namelijk een stelling die op gezette tijden bevestigd of opnieuw geformuleerd wordt. De lezer ziet zonder moeite de draad door elk hoofdstuk, maar waar het verhaal toe leidt blijft vaag.

Op de tweede vraag (de degeneratie van het christendom) is het wel mogelijk de brokstukken samen te rapen. In de loop van de vierde eeuw namelijk had het christendom zich comfortabel genesteld. Christen zijn raakte zelfs in de mode. Toen kwam een beslissend ogenblik. In de de vierde eeuw streefde keizer Theodosius een verbod na op alle heidense culten. Heirman laat zien waarom. Het klikte gewoon tussen het christendom en het Romeinse keizerrijk. Van het jodendom had het christendom een absolute exclusiviteit geërfd. Tegelijk streefde het naar een universele verspreiding daarvan. Theodosius had in de gaten dat het christendom en de keizer op die manier gemeenschappelijke belangen hadden. Hij zag godsdienst als een pacificatie-instrument in de Romeins-imperialistische zin van het woord en maakte van de verspreiding ervan een staatszaak. Omdat Germaanse heersers als Karel de Grote die politiek overnamen, ligt hier de geschiedkundige verklaring voor de sprong die het christendom maakte van haar aanspraken op exclusiviteit naar dwanggeloof en inquisitie, en voor de gemene zaak die de Kerk eeuwenlang maakte met de wereldlijke macht.

Het christendom romaniseerde onder die uitverkiezing. Dat wil zeggen, het kreeg iets van de oude Romeinse godsdienst, die opportunistische ernst om in het belang van de staat de god te geven wat hem toekomt. De ethiek werd pragmatischer, de revolutionaire scherpte ervan bijgeschaafd, zodat een Romeins veldheer bijvoorbeeld christen kon worden en veldheer mocht blijven.

Het is deze paradox die tussen de regels van dit boek op te vangen valt: precies de invloeden van de seculiere Griekse en Romeinse culturen maakten van het christendom de ideologische stut van een statische maatschappij. Want uitgerekend de Griekse erfenis - of liever datgene wat de heilige Augustinus, in bewondering voor Plato, daarvan het westerse christendom liet binnenglippen - is volgens Heirman verantwoordelijk voor het anti-democratische, hiërarchische karakter van de katholieke kerk.

In passages zoals deze herkennen we de Heirman uit Het verloren millennium. Maar over het algemeen zien we hem te weinig in die gedaante. Heirman heeft genoeg plannen en inzichten, maar te weinig woorden en structuur gevonden om het werk af te maken.

Onprettig tenslotte zijn enkele historische fouten: Heirman denkt dat de burgeroorlogen van de eerste eeuw voor Christus te Rome zich afspelen tussen patriciërs en plebejers, noemt Cicero een stoïcijn en gelooft dat de eerste Romeinse keizers zich van de latere onderscheiden door een gemoedelijker omgang met hun medeburgers.

Het was natuurlijk leuk om de delen van deze trilogie om het jaar te laten uitkomen. Maar iets meer geduld had de schrijver enorme diensten kunnen bewijzen. Waarom het boek dan toch lezen? Omdat niemand erin slaagt op zo weinig ruimte het verhaal even uitgebreid te vertellen. En omdat zijn overwegingen genoeg kracht bezitten om her en der tot de flits van een nieuw inzicht te inspireren.